U bent hier

Emissie van verzurende substanties (NOx, SOx en NH3)

Actualisering : februari 2020

Bijna 123 ton verzurende stoffen (tZeq) werden uitgestoten op het Brussels grondgebied in 2017, waarvan 87% overeenkomt met NOx. In 2017 is het wegverkeer verantwoordelijk voor 61% van de regionale emissies van verzurende stoffen, en de verwarming van gebouwen (residentiële en tertiaire) voor 29%.
Tussen 1990 en 2017 daalden de totale emissies door menselijke activiteiten van verzurende en potentieel verzurende stoffen met 63% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De verplichtingen van het BHG op het gebied van emissiedaling tot 2019 zijn nageleefd.


Wat zijn verzurende stoffen?

Het fenomeen van de verzuring is aan de basis een natuurlijk verschijnsel (zwavelhoudende uitstoot van vulkanen, gas dat vrijkomt door de activiteit van bepaalde bacteriën in de bodem bij de afbraak van organisch materiaal, ...). Dit fenomeen greep echter verder om zich heen door de uitstoot van verzurende stoffen als gevolg van bepaalde menselijke activiteiten, voornamelijk verbrandingsprocessen (verwarming, wegverkeer, industrie, ...). De toegenomen impact van de mens heeft het probleem van verzuring van de bodem en van het oppervlaktewater verscherpt evenals de schade aan de vegetatie en aan bepaalde bouwmaterialen.

Zwaveldioxide SO2, stikstofoxide NOx en ammoniak NH3 zijn de drie voornaamste gassen die tot het fenomeen van verzuring bijdragen; met dien verstande dat NH3 slechts potentieel verzurend is naargelang de omstandigheden van het milieu (voor meer details verwijzen wij naar de methodologische fiche).

Uitgestoten hoeveelheid verzurende stoffen per bron

De uitgestoten hoeveelheden verzurende verontreinigende stoffen worden geraamd op basis van de inventarissen van de emissies van verontreinigende stoffen die jaarlijks door het Departement planning lucht, energie en klimaat van Leefmilieu Brussel worden opgesteld. De gebruikte inventarissen werden in 2019 bij de Verenigde Naties ingediend en hebben betrekking op de jaren 1990 tot 2017.

Volgens de raming voor 2017 werd op het Brussels grondgebied zowat 123 ton zuurequivalent (tZeq) uitgestoten, waarvan 87% overeenkwam met NOx. 

Alleen al het wegvervoer nam 61% van de emissies van de verzurende en potentieel verzurende stoffen voor zijn rekening. Het wegtransport en de verwarming van gebouwen (residentiële en tertiaire) waren samen verantwoordelijk voor 90% van de uitstoot.

Sectorale uitsplitsing van de verzurende of potentieel verzurende emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2017)

Bron: Leefmilieu Brussel, berekeningen door het Dpt. Reporting en milieueffecten op basis van de gegevens van het Dpt. Planning, lucht, energie en klimaat (in 2019 ingediende inventarissen)


 
Ter vergelijking: in 2017 waren in het Vlaams Gewest de landbouw (48%), het transport (21%), de industrie (17%) en de energieproductie (8%) de grootste uitstoters van verzurende of potentieel verzurende substanties [MIRA, april 2019]. Voor het Waalse Gewest waren dat in 2016 de landbouw (49%), het wegvervoer (21%) en de industrie (18%) [Rapport sur l’état de l’Environnement Wallon, april 2019]. In de andere Gewesten zijn het wegvervoer en de verwarming naar verhouding dus minder belangrijke bronnen en vormen de landbouw en de industrie de belangrijkste; dit verschil valt te verklaren door het essentieel stedelijke karakter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheden

Tussen 1990 en 2017 daalde de uitstoot van verzurende en potentieel verzurende stoffen met 63 % (123 ton Zeq. in 2017 versus 331 ton Zeq. in 1990). 
Verhoudingsgewijs kende SOX dus een sterkere daling (87%) dan NOx (55%).

Evolutie van de verzurende of potentieel verzurende emissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 1990 en 2017

Bron : Leefmilieu Brussel, berekeningen door het Dpt. Reporting en milieueffecten op basis van de gegevens van het Dpt. Planning, lucht, energie en klimaat (in 2019 ingediende inventarissen)

De verklaring voor deze evolutie moet gezocht worden bij factoren die verschillen naargelang de substanties.

Wat SOx betreft, droegen volgende factoren bij tot de verminderde uitstoot: 

  • de daling van het zwavelgehalte in de voertuigbrandstoffen (vooral sinds 1996) en in de stookolie (beperkt tot 0,2 gewichtsprocent sinds 1989); 
  • het groeiend aandeel van aardgas in het totale brandstofverbruik, ten koste van de petroleumproducten; 
  • de productievermindering, gevolgd door de volledige sluiting van de Cokesfabriek van Marly in 1993; 
  • de invoering van een rookwassingssysteem in de afvalverbrandingsoven – Brussel Energie (medio 1999).

De vermindering van de NOx-uitstoot houdt onder andere verband met: 

  • de productievermindering in 1990, gevolgd door de sluiting van de Cokesfabriek van Marly in 1993; 
  • de installatie van een rookgaswassingssysteem (DéNOx) op dezelfde verbrandingsoven van Neder-Over-Heembeek (2006);
  • de betere motorprestaties dankzij de invoering van bepaalde Europese richtlijnen aangaande de uitstoot van verontreinigende stoffen door verschillende categorieën van voertuigen (“EURO-normen”); 
  • de veralgemening van katalysatoren op nieuwe voertuigen vanaf 1993 (deze onderwerpen de uitlaatgassen aan een nabehandeling zodra ze de motor verlaten wat specifiek bij benzinewagens tot een lagere NOx-uitstoot leidt). Het belang van de katalysator voor het verlagen van de NOx-uitstoot in het Brussels Gewest moet enigszins worden gerelativeerd, aangezien een katalysator pas na het doorlopen van een aantal kilometer zijn effect laat voelen op de uitstoot (bij een koude motor, bij het starten en tijdens het versnellen/vertragen is de katalysator geheel of gedeeltelijk ondoeltreffend). Deze factor speelt dus slechts mee voor langere trajecten.

Tenslotte is de uitstoot van NH3 verwaarloosbaar, waardoor het moeilijk is om de geobserveerde tendensen te interpreteren.

Europese normen

De nationale emissieplafonds voor verzurende luchtverontreinigende stoffen die voor 2010 werden vastgelegd door de oude Europese richtlijn 2001/81/EG (de zogenaamde NEC-richtlijn) blijven tot en met 2019 van kracht. De in België verplichte maximale waarden, uitgedrukt in kiloton (kt), zijn 176 kt, 99 kt en 74 kt voor respectievelijk NOx, SO2 en NH3
De interministeriële Milieuconferentie (IMC) van 16 juni 2000 heeft deze 2010 nationale plafonds opgesplitst in 3 regionale plafonds voor de vaste bronnen (degene die niet transport betreffen). Voor de mobiele bronnen werd een nationaal plafond behouden. Door deze verdeling van de inspanning moest het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vanaf 2010 volgende plafonds respecteren: de jaarlijkse uitstoot mag maximaal 1,4 kt bedragen voor SO2  en 3 kt voor NOx  (telkens voor de vaste bronnen), met andere woorden respectievelijk 44 en 65 tonZeq. Voor het BHG werd geen plafond voor NH3 bepaald. 

Het gewest heeft zijn vooropgestelde doelstellingen bereikt. 

De nieuwe NEC-richtlijn (EU) 2016/2284 legt beperkingen van de minimale nationale emissies van verzurende luchtverontreinigende stoffen op die vanaf 2020 en 2030 moeten worden bereikt. Deze beperkingen worden uitgedrukt als een percentage van de totale in de loop van het referentiejaar (2005) geproduceerde emissies. België verbindt zich tot een beperking van zijn uitstoot van SO2, NOx en NH3 tegenover de emissies van 2005 met respectievelijk 43%, 41% en 2% tegen 2020 en respectievelijk 66%, 59% en 13% tegen 2030. 

De percentages van de beperking tegen 2020 werden in 2012 overeengekomen in het kader van het gewijzigde Protocol van Göteborg, geratificeerd door België. In december 2019 werd een samenwerkingsakkoord in verband met de NEC-richtlijn en specifiek voor de doelstellingen voor 2030 aangenomen, die momenteel wordt goedgekeurd. In dit kader werden de vanaf 2020 en 2030 te bereiken nationale emissieplafonds vertaald in absolute doelstellingen en over de drie gewesten verdeeld tijdens de Uitgebreide Interministeriële Conferentie Milieu van 12 november 2015 en de Interministeriële Conferentie Milieu (ICM) van 4 mei 2017. De globale emissieplafonds (vaste en mobiele bronnen) die het BHG moet bereiken voor SO2, NOx en NH3 zullen respectievelijk 2,0 kt (63 tZeq) en 4,4 kt (95 tZeq) en 0 kt vanaf 2020, en 0,4 kt (13 tZeq) en 3,4 kt (74 tZeq) en 0,1 kt (6 tZeq) tegen 2030 zijn. 

Datum van de update: 23/10/2020