U bent hier

Emissie van ozonprecursoren (NOx, VOS, CO en CH4)

Indicator - Actualisering : augustus 2022

Op lage hoogte (ongeveer tot op een hoogte van 10km) is ozon één van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen, want indien aanwezig in abnormaal verhoogde hoeveelheid, is het schadelijk voor mens, fauna en flora. De vorming ervan vereist zonne-energie en wordt versterkt door de aanwezigheid van ozonprecursoren.
In 2020 werd ongeveer 8.500 ton VOS eq. van die ozonprecursoren uitgestoten op het Brussels grondgebied, waarvan 94% overeenkwam met VOS en NOX. Het wegvervoer en industriële processen en het gebruik van producten zijn de voornaamste emissiebronnen.
Tussen 1990 en 2020 daalde de uitstoot van ozonprecursoren in het Brussels gewest met 76%. 
Ontdek of het Gewest zijn verplichtingen op het gebied van emissiedaling nakomt.  


Wat is troposferisch ozon?

Troposferische ozon is schadelijk voor de gezondheid en het leefmilieu. Zijn toxiciteit verschilt volgens de concentratie; in abnormaal hoge hoeveelheden kan ozon ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. Bovendien kan het veranderingen teweegbrengen in teelten en bossen, en tal van materialen aantasten.
Troposferische ozon is een secundaire polluent: dat betekent dat dit element niet rechtstreeks in de omgevingslucht wordt uitgestoten maar ontstaat door fotochemie in de atmosfeer, vooral tijdens de zomer als gevolg van de irradiatie van primaire polluenten (waaronder stikstofdioxide NO2) door de ultraviolette straling (UV). Deze reactie wordt verstoord door de aanwezigheid van verschillende substanties: vluchtige organische stoffen (VOS), het radicaal dat resulteert uit de oxidatie van methaan (CH4); of reactie van koolstofmonoxide (CO) met het hydroxyl (OH) in de atmosfeer (zie methodologische fiche). 
Stikstofoxiden (NOX), vluchtige organische stoffen (VOS), methaan (CH4) en koolstofmonoxide (CO) worden dan ook beschouwd als de voornaamste precursoren van het troposferische ozon. 

Uitgestoten hoeveelheid ozonprecursoren per bron

De uitgestoten hoeveelheden precursoren van O3 worden geraamd op basis van de inventarissen van de emissies van verontreinigende stoffen die jaarlijks door het Departement “Evaluatie, Lucht, Energie en Klimaat” van Leefmilieu Brussel worden opgesteld. De gebruikte inventarissen werden in 2022 bij de Verenigde Naties ingediend en hebben betrekking op de jaren 1990 tot 2020.

Volgens de raming voor 2020 werd op het Brusselse grondgebied zowat 8.596 ton ozonprecursoren (ton VOS-equivalent) uitgestoten. Het wegvervoer, industriële processen en het gebruik van producten zijn de voornaamste emissiebronnen van precursoren van troposferische ozon en zijn elk verantwoordelijk voor een derde (respectievelijk 34 en 33%) van de uitstoot.

Het aandeel van de VOS-emissies in verband met industriële processen en het gebruik van producten is in 2020 gestegen ten opzichte van de vorige jaren, in verband met het gebruik van hydro-alcoholgel.

Sectorale uitsplitsing van de emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2020)

Bron: Leefmilieu Brussel, Berekeningen van het Departement Reporting en milieueffecten op basis van de gegevens van het Departement Evaluatie, Lucht, Energie en Klimaat (in 2022 ingediende inventarissen)

Ter vergelijking, in 2020 waren in het Vlaams Gewest het transport (32%), de industrie (23%), de landbouw (16%) en de huishoudens (12%) de belangrijkste uitstoters [VMM, juni 2022]. Voor het Waalse Gewest waren in 2020 het gebruik van oplosmiddelen (36%) en de landbouw (30%) de belangrijkste VOS-uitstotende sectoren; en het vervoer (37%) en de industrie (31%) zijn de belangrijkste NOx-uitstoters [uit emissie-inventarissen, Awac, juni 2022]. 

Evolutie van de uitgestoten hoeveelheid

Tussen 1990 en 2020 daalde de uitstoot van ozonprecursoren met 76 % (8,6 kt VOS-eq. in 2020 versus 35,5 kt VOS-eq. in 1990). 
Die daling was gelijkaardig voor de VOS en voor NOX (71 %), die in 2020 samen 95 % van de uitstoot voor hun rekening namen.

Emissie van ozonprecursoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, tussen 1990 en 20120

Bron: Leefmilieu Brussel, Berekeningen van het Departement Reporting en milieueffecten op basis van de gegevens van het Departement Evaluatie, Lucht, Energie en Klimaat (in 2022 ingediende inventarissen)

De verklaring voor deze evolutie moet gezocht worden bij factoren die verschillen naargelang de substanties.
In het geval van de VOS droegen volgende factoren bij tot de daling van de uitstoot: 

  • de daling van de productie van de Cokesfabriek van Marly, gevolgd door de sluiting in 1993; 
  • de invoering van verschillende Europese richtlijnen: de verbetering van de motoren op het vlak van de uitstoot (de “EURO”-normen), de verbetering van de brandstofkwaliteit en de daling van de VOS-uitstoot door de tankstations en het gebruik van organische oplosmiddelen. 

De vermindering van de NOx-uitstoot houdt verband met: 

  • de daling van de productie van de Cokesfabriek van Marly in 1990, gevolgd door de sluiting in 1993, de installatie van een rookgaswassingssysteem (DéNOX) op de verbrandingsoven van Neder-Over-Heembeek (2006);
  • de verbetering van de prestaties van de motoren via de implementatie van bepaalde richtlijnen van de Europese Unie betreffende de normen voor vervuilende emissies door verschillende voertuigcategorieën (“EURO-normen”); 
  • de veralgemening van katalysatoren op nieuwe voertuigen vanaf 1993 (deze onderwerpen de uitlaatgassen aan een nabehandeling zodra deze de motor verlaten, wat specifiek bij benzinewagens tot een lagere NOx-uitstoot leidt). Het belang van de katalysator voor het verlagen van de NOx-uitstoot laat zich nochtans slechts voelen na het doorlopen van een aantal kilometer (bij een koude motor, bij het starten en tijdens het versnellen/vertragen is de katalysator geheel of gedeeltelijk ondoeltreffend).  Deze factor speelt dus slechts voor langere trajecten;
  • en, in het bijzondere geval van 2020, aan de vermindering van het verkeer gedurende de lockdown (meer informatie over dit onderwerp is te vinden in de specifieke focus ).

De daling van de CO-uitstoot is overwegend het gevolg van:

  • de EURO-normen en hun evoluties; 
  • de invoering van de katalysator; 
  • en, tot 2014, het stijgende aandeel van de dieselvoertuigen op het totale wagenpark: dieselvoertuigen stoten weinig CO uit dankzij hun katalysator en doordat hun sterk oxiderende uitlaatgassen de omvorming van CO tot CO2 bevorderen. Er zij op gewezen dat dieselvoertuigen sinds 2019 het Brusselse wagenpark niet langer domineren (zie de focus op de milieukenmerken van het Brusselse wagenpark ).

Wat is de Europese regelgeving ?

De Europese richtlijn, de zogenaamde “NEC-richtlijn”, legt emissieplafonds op, onder meer voor luchtverontreinigende stoffen die precursoren zijn van troposferisch ozon (NOX en VOS) die niet mogen worden overschreden. 

Tot 2019 werden de plafonds opgelegd door de NEC-richtlijn 2001/81/EG. De nieuwe NEC-richtlijn (EU) 2016/2284 legt beperkingen van de minimale nationale emissies van verzurende luchtverontreinigende stoffen op die vanaf 2020 en 2030 moeten worden bereikt. Deze beperkingen worden uitgedrukt als een percentage van de totale in de loop van het referentiejaar (2005) geproduceerde emissies. België verbindt zich tot een beperking van zijn uitstoot van VOS en NOx tegenover de emissies van 2005 met respectievelijk 21% en 41% tegen 2020 en respectievelijk 35% en 59% tegen 2030. 

De percentages van de beperking tegen 2020 werden in 2012 overeengekomen in het kader van het gewijzigde Protocol van Göteborg, geratificeerd door België. In december 2019 werd een samenwerkingsakkoord in verband met de NEC-richtlijn en specifiek voor de doelstellingen voor 2030 aangenomen, die momenteel wordt goedgekeurd. In dit kader werden de nieuwe nationale emissieplafonds die vanaf 2020 en 2030 moeten worden bereikt, vertaald in absolute doelstellingen en verdeeld over de drie gewesten op respectievelijk de Uitgebreide Interministeriële Conferentie Milieu van 12 november 2015 en de Interministeriële Conferentie Milieu (ICM) van 4 mei 2017. De globale emissieplafonds (vaste en mobiele bronnen) die het BHG moet bereiken voor VOS en NOx zijn  respectievelijk 4,6 kt en 4,4 kt (of 5,37 kt eq. VOS) vanaf 2020. Met 4,1 kt VOS uitgestoten in 2020, respecteren de emissies van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het emissieplafond dat voor 2020 is vastgelegd. Tegen 2030 moeten deze emissies dalen tot onder respectievelijk 4,0 kt en 3,4 kt (of 4,15 kt eq. VOS).

Datum van de update: 30/08/2022