U bent hier

Het speelnetwerk

Focus - Actualisering : december 2015

 Volgens een studie door Leefmilieu Brussel telde het Brussels Gewest in 2011 om en bij de 299 speeltuinen en 142 plekken met sportinfrastructuur of skateparken. Deze speelzones zijn onregelmatig verdeeld over het stadsnetwerk en zeer heterogeen in omvang, kwaliteit en qua beoogde leeftijdsgroepen. Op basis van een zowel kwantitatieve als kwalitatieve stand van zaken van de sport- en speelzones, en van prospectieve gegevens, werkte Leefmilieu Brussel onlangs een “speelnetwerk”-strategie uit. Deze wil aan alle Brusselaars voldoende en kwaliteitsvolle speelruimtes over het volledige grondgebied bieden. Deze strategie werd uitgeschreven en verspreid in twee publicaties die als naslagwerk moeten dienen voor de aanleg van speeltuinen en skatebanen in het Brussels Gewest. Sinds 2009 legde Leefmilieu Brussel in navolging van de principes en aanbevelingen in deze strategie een tiental speeltuinen aan of renoveerde ze. Er werden eveneens projecten gerealiseerd met als doel een alternatief speel- en spelaanbod in de dichtbevolkte wijken aan te bieden.

Hoe spelen in de stad meespeelt

De beschikbaarheid aan groene ruimten en kwaliteitsvolle recreatieve ruimten vormt een basisingrediënt van levenskwaliteit in de stad. Met name speelruimten dragen bij tot de psychomotorische, fysieke en sociale ontwikkeling van kinderen, jongeren en zelfs volwassenen.

In de afgelopen decennia werden tal van ruigten en braakliggende terreinen -informele plekken voor spel en avontuur- geleidelijk aan onder druk van de verstedelijking volgebouwd (ongeveer 20% tot 25% van de ruigten werden tussen 1998 en 2008 bebouwd). Door de bevolkingsgroei en de kleinere gezinnen is er bovendien een sterke vraag naar woningen. Dat vertaalde zich in een duidelijke stijging van het aantal appartementsgebouwen (55% tussen 1992 en 2012) en in een opsplitsing van eengezinswoningen, met een minder groot deel van de bevolking dat toegang heeft tot een privétuin als gevolg.  Binnen een algemene context van demografische groei (met verjonging van de bevolking) en verdichting van het stadsweefsel is het dus heel erg belangrijk bij de stadsplanning en de stadsaanleg in te zetten op een kwantitatief en kwalitatief aangepast speelaanbod in de openbare ruimten.

Leefmilieu Brussel beheert overigens binnen zijn groene ruimten tal van geïntegreerde speel- en sportzones, waarvan er sommige van hun glans verloren hebben en aan renovatie toe zijn. Binnen deze context begon men na te denken over het kader dat moet worden meegegeven aan de speel- en sportzones van morgen.

Vraag en aanbod van speel- en sportzones

Toen in 2009 tal van speeltuinen haast afgeschreven waren, voerde Leefmilieu Brussel een eerste evaluatie uit van de speel- en sportzones in het Brussels Gewest. Op basis van een vragenlijst over de ligging en de aanwezige uitrusting werd een inventaris van de formele speel- en sportzones opgesteld (ook die onder beheer van de gemeenten).

Deze informatie werd ingevoerd in een gegevensbank met geografische referenties, waardoor men de ruimtelijke spreiding van de speelzones in het stadsweefsel kon analyseren. Het was bovendien mogelijk deze informatie op schaal van de wijken te kruisen met demografische en socio-economische variabelen (omvang en dichtheid van de bevolking, verdeling per leeftijd, inkomsten, gemiddelde woningoppervlakte per inwoner, enz.).

Deze studie inventariseerde 321 speel- en sportzones (met inbegrip van 21 petanquebanen en pingpongtafels), waarvan 41 onder het beheer van Leefmilieu Brussel. Deze speelzones zijn echter heel heterogeen in omvang, kwaliteit en qua beoogde leeftijdsgroepen, waardoor een bijkomende kwalitatieve analyse noodzakelijk werd. Ze zijn ook ongelijkmatig verspreid over het stadsweefsel, met zowel in het centrum als errond plaatselijk sterke concentraties of integendeel niet-toegeruste gebieden. Doorgaans bieden de speelzones buiten het centrum vooral speeltuigen voor kinderen aan, terwijl in de centralere delen van de stad, met speeltuigen en sportaccommodatie op eenzelfde plek, eerder een doelgroep van kinderen en jongeren wordt aangesproken.

Er kwamen ook nog tal van andere vaststellingen naar voren. Zo had men het over bepaalde doelgroepen waar te weinig rekening mee wordt gehouden (aankomende pubers en pubers, in het bijzonder meisjes, kinderen met een motorische handicap, gezinnen met kinderen uit verschillende leeftijdsgroepen, heel jonge kinderen), de gebruiksmogelijkheden van de speeltuigen die vaak te eenduidig zijn en de beperkt inventieve opvatting van de ruimten, het belang van informele speelruimten, het gebrek aan onderhoud, toezicht en hulpinfrastructuur (wc’s, drinkwater, picknicktafels, enz.). Meer in het algemeen toonde de studie aan dat er geen echt gewestelijk beleid bestond inzake ontwikkeling van speel- en sportzones.

Om een speelnetwerkstrategie uit te werken en de zones voor prioritaire interventie vast te leggen kwam er in 2011-2012, bovenop de stand van zaken, een gedetailleerde kwalitatieve benadering. De kwalitatieve benadering steunde op een inspectie van alle in de eerste fase geregistreerde speel- en sportzones en hun karakterisering op basis van een analyserooster over 6 thema’s: algemeenheden (theoretische uitstraling van de zone, openingsuren, nabijheid van scholen of musea, enz.), toegankelijkheid, spelen en sportactiviteiten ter beschikking, helderheid en aantrekkelijkheid, comfort van de begeleiders, netheid, onderhoud en veiligheid). Op basis van verschillende kwaliteitscriteria werd voor elke bestudeerde zone een globale beoordeling opgesteld.  De kwaliteit van de speeltuinen werd goed, middelmatig of slecht bevonden naarmate het cijfer > 7/10 was, tussen 5 en 7/10 lag of <5/10 was.

Uit deze tweede fase in de studie kwamen volgende vaststellingen naar voren:

  • Het gemiddelde cijfer voor de kwaliteit van het volledige spel- en sportaanbod op gewestelijk niveau is 6,5/10 voor de speeltuinen en 6/10 voor de sportterreinen of skateparken;
  • Er zijn 299 speeltuinen (gemiddeld ongeveer een speeltuin voor 435 kinderen van kleuter- en lagere-schoolleeftijd) en 142 sportterreinen of skateparken (gemiddeld ongeveer een jongerenspeelruimte voor 528 middelbareschooljongeren);
  • 65% van de speeltuinen hebben een uitstraling op lokale schaal (straat of wijk), 33% op gemeentelijke schaal en minder dan 2% op bovengemeentelijke schaal.

Ruimtelijke spreiding (2009) en kwaliteit (2011) van de speeltuinen

Bron: Leefmilieu Brussel, BRAT en L’Escaut 2015

Ruimtelijke spreiding (2009) en kwaliteit (2011) van de speeltuinen
Elke speeltuin wordt vertegenwoordigd door een cirkel die overeenkomt met een straal van 300 meter vanaf het midden van de speeltuin of de ingang van het park. Deze afstand van 300 meter in vogelvlucht stemt overeen met ongeveer 10 minuten wandelen met kinderen, hetzij met een theoretische toegankelijkheidszone. Deze stukken werden ingekort wanneer ze een onoverkomelijke stedelijke barrière kruisen (autosnelweg, kanaal, waterpartij, ondoordringbare zone, bovengrondse metrolijn en spoorweg). Als men langs een doorgang om dit obstakel heen kan, werd er verder dan dit punt een zone uitgerekend, om zo aan de 300 meter afstand in vogelvlucht te geraken. In het geval van een speelzone in een park die tussen 1,5 en 4 hectare groot is, werd de bereikbaarheidszone berekend vanaf de parkgrenzen.

Deze kaart toont de delen van het grondgebied die in een theoretische toegankelijkheidszone van een speeltuin liggen. Ze kan dus dienen om bij een eerste benadering de gebieden te achterhalen waar kinderen in ontoereikende mate toegang hebben tot een nabij gelegen speeltuin.  De kaart geeft eveneens informatie over de kwaliteit van de speeltuinen, alsook over de kinderdichtheid per wijk (BISA).

Ruimtelijke spreiding (2009) en kwaliteit (2011) van de sportterreinen of skateparken
Bron: Leefmilieu Brussel, BRAT en L’Escaut 2015

 

Ruimtelijke spreiding en kwaliteit van de sportterreinen of skateparken
Voor de infrastructuur voor jongeren vond er een gelijkaardige benadering plaats. Hier ging men uit van een theoretische toegankelijkheidszone op 500 meter in vogelvlucht.

Naar een speelnetwerk in Brussel

In het verlengde van al dit denk- en ander werk zette Leefmilieu Brussel een strategie op voor de implementering van een echt “speelnetwerk”.  Deze strategie werd samen met haar praktische manier van uitvoering in twee publicaties uit de doeken gedaan: “Het spel in de stad - Voor een speelnetwerk in Brussel” en “SK8Bxl - Skaten in de stad”. De laatste brochure gaat specifiek over de ontwikkeling van plekken voor skaten en andere rollerdisciplines in de stad. Deze publicaties willen een naslagwerk vormen voor bouwheren, ontwerpers, administraties en andere sectoren die betrokken zijn bij de aanleg van de openbare ruimte.

Het speelnetwerk wordt erin gedefinieerd als een strategie die erop gericht is alle inwoners van het Gewest te voorzien van voldoende, kwaliteitsvolle en open speelterreinen, die verspreid liggen over het hele Brusselse grondgebied.  Deze strategie werd vertaald naar kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen tegen 2020:

  • in alle Brusselse wijken zorgen voor een speeltuin voor 500 kinderen en voor een aangepaste structuur voor 500 jongeren;
  • zorgen voor een speeltuin en voor een spel- en sportruimte voor jongeren op respectievelijk minder dan 300 meter en 500 meter in vogelvlucht van alle bewoonde zones;
  • voor de kwaliteit van het volledige spel- en sportaanbod in het Brussels Gewest een gemiddeld cijfer van 8/10 halen.

Naast deze doelstellingen steunt deze strategie op een reeks grote principes en richtsnoeren zoals bijvoorbeeld:

  • prioritair ingrijpen op de zones waar er schaarste is aan spelinfrastructuur (rekening houdend met het kwalitatieve en kwantitatieve aanbod, de demografische vooruitzichten per wijk, de aanwezigheid van infrastructuur zoals scholen, bibliotheken en ludotheken, daarbovenop musea, enz.);
  • het speelnetwerk ophangen aan 4 niveaus van uitstraling (straat, wijk, gemeente en gewest) door de noodzakelijke samenwerkingsverbanden en synergieën tussen verschillende actoren (LB, gemeenten, wijkcontracten, communautaire instellingen, enz.) te ontwikkelen;
  • recreatieve polen met gewestelijke reikwijdte creëren (gepland in het ontwerp van Gewestelijk Plan voor Duurzame Ontwikkeling of GPDO);
  • het aanbod en de types van speeltuinen diversifiëren (en daarbij rekening houden met de noden van de gebruikerscategorieën waarvoor het aanbod zwak is), hun inventiviteit en originaliteit verhogen;
  • het creëren van informele speelruimtes aanmoedigen en de speldimensie verwerken in het ontwerp van openbare ruimten;
  • voorrang geven aan de inbreng van kinderen en toekomstige gebruikers bij de aanleg van speeltuinen en bij uitbreiding van openbare ruimten;
  • de doelstellingen van het speelnetwerk verwerken in de nieuwe woonprojecten.

Het ontwerp-GPDO ziet de sport- en recreatieve uitrusting als een van de prioritaire behoeften voor diensten en uitrusting die een beter aanbod vergen. Het speelnetwerk komt er trouwens uitdrukkelijk in aan bod als, samen met het socio-recreatieve, het blauwe en ecologische netwerk, een van de strategische netwerken van het groen netwerk (zie focus op dit onderwerp).

Er werden reeds verschillende concrete maatregelen genomen om het beleid rond de ontwikkeling van een speelnetwerk toe te passen. Sinds 2009 werden er tal van speeltuinen door Leefmilieu Brussel gerenoveerd en aangelegd. Hierbij werd rekening gehouden met de aanbevelingen uit de denkoefening over het speelnetwerk. De speeltuinen liggen op de volgende plaatsen: Georges Henri-park, Bonneviepark, Hallepoort, Koning Boudewijnpark (fases 1, 2 en 3), Rood Klooster, Chinees paviljoen, spoorwegwandeling (station en Willame), Wilderbos (gezondheidsparcours), Senypark, lijn 28-Dubrucq, Scheutbos (laag deel). Er zijn eveneens nieuwe projecten lopende of gepland.

In 2015 had Leefmilieu Brussel 38 speeltuinen, 14 sportzones, 3 skatebanen en 7 fitnesszones onder zijn beheer.

Er vonden eveneens projecten plaats rond de ontwikkeling van een alternatief speelaanbod, met name voor de dichtbevolkte wijken. Concreet leidde dat tot een mobiele structuur die op de verbeelding inspeelt (grot van de Yeti) en tot sleeën op rolletjes voor animatie in straten of in parken (gat in de muur).

Datum van de update: 29/10/2020
Documenten: 

Factsheets

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

Studies en rapporten