U bent hier

Toekomstige evolutie van het klimaat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en mogelijke aanpassingen

Focus - Actualisatie : juni 2021

De klimaatverandering is een van de grootste uitdagingen van de 21e eeuw, en vandaag worden we geconfronteerd met de noodzaak om bepaalde werkwijzen aan te passen om ons voor te bereiden op de gevolgen van de toekomstige klimaatverandering. Hoewel sommige van deze veranderingen al dagelijks voelbaar zijn, richten veel studies zich op toekomstscenario's om goed op hun verloop te anticiperen. Maar wat voorspellen die klimaatprojecties nu precies? En wat kunnen we op gewestelijke schaal doen om ze te voorkomen of ons eraan aan te passen?

Het Belgische klimaat: verleden, heden en toekomst

Door onze breedteligging en de nabijheid van de Atlantische Oceaan kent België een gematigd zeeklimaat. Dat klimaat wordt doorgaans gekenmerkt door frisse en natte zomers en relatief zachte en regenachtige winters. De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt 11°C en de jaarlijkse neerslaghoeveelheid 837 mm, met variaties volgens de regio en het seizoen (zie ook Het klimaat in het Brussels Gewest ).

Het Belgische klimaat kende verschillende variaties in de loop van de laatste twee eeuwen (sinds 1833, het begin van de metingen door het Koninklijk Meteorologisch Instituut) en de laatste decennia worden de trends steeds uitgesprokener.

  • Temperatuur: Sinds het begin van het industriële tijdperk (~1850) steeg de temperatuur met ongeveer 2,3°C en sinds de jaren 1980 zien we een steeds duidelijkere en aanhoudende stijging (+0,4°C per decennium sinds 1981). De veertien warmste jaren sinds 1833 werden ook allemaal geregistreerd na 2000 en de frequentie van hittegolven neemt toe. 
  • Neerslag: Ook de neerslaghoeveelheden zijn toegenomen: +9% voor de jaarlijkse gemiddelden en +31% voor de winterneerslag. Daarnaast zien we ook de intensiteit en de frequentie van onweersbuien in stijgende lijn gaan (+0,5 dag met zware regenval per decennium sinds 1981). 

Voor meer informatie, zie ook de Focus  over dit onderwerp en Infofiche nr. 2

Dankzij klimaatprognoses kunnen we de toekomstige evolutie van het klimaat inschatten op basis van verschillende parameters, zoals de huidige toestand van het klimaat, de evolutie van het bodemgebruik en de uitstoot van broeikasgassen (BKG). Er bestaan verschillende scenario’s — het meest pessimistische gaat ervan uit dat wij niets veranderen aan onze vervuilende activiteiten — om de toekomstige evolutie van de temperatuur, de neerslag en tal van andere meer specifieke klimaatparameters te beoordelen. Via het internationale CORDEX-project werden klimaatmodellen op regionale schaal opgesteld. De conclusies voor het Belgische klimaat tegen 2100 kunnen als volgt worden samengevat (op basis van het meest pessimistische scenario). 

Het Belgische klimaat tegen 2100
•    hogere temperaturen het hele jaar door (tussen 2,6°C en 3,5°C); 
•    meer neerslag in de winter en minder in de zomer; 
•    een vermindering van het debiet van de waterlopen; 
•    meer extreme gebeurtenissen (zware regens in de winter, stormen en hittegolven in de zomer). 
Voor meer informatie over de toekomstige evolutie van het Belgische klimaat, zie ook Infofiche nr. 6

 

In het Brussel van 2100 zou het weleens (zeer) warm kunnen worden! 

Als stedelijke omgeving is Brussel bijzonder gevoelig voor de klimaatverandering, zeker als rekening wordt gehouden met de hoge bevolkingsdichtheid en de concentratie aan infrastructuur op het grondgebied. 
Zowel de bovengenoemde CORDEX-studie, als de studie van Cugnon et al. (2019), wisten klimaatprojecties met een zeer hoge ruimtelijke resolutie op te stellen, waardoor het toekomstige klimaat van een zeer beperkte regio, zoals het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kon worden ingeschat. 

Gemiddelde jaartemperaturen in dichtbebouwde stedelijke (blauw), voorstedelijke (oranje) en landelijke (grijze) gebieden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 

Bron: Cugnon et al. 2019.  
Opmerking: De figuur toont de projecties tot 2100 volgens het meest pessimistische scenario. 

Brussel lijdt van nature onder het warmte-eilandeffect (UHI of Urban Heat Island, zie de Focus over dit thema), d.w.z. dat de bevolkingsdichtheid en de hoge concentratie aan infrastructuur zorgen voor hogere temperaturen dan in de omliggende landelijke of voorstedelijke gebieden. De evolutie van het klimaat in Brussel wordt dus hoofdzakelijk bepaald door het bestaan van dit fenomeen. 
Hoewel de amplitude van het warmte-eilandeffect relatief stabiel lijkt te blijven (geen toename van het temperatuurverschil), zou het aantal hittedagen (minimumtemperatuur van ten minste 18°C en maximumtemperatuur van ten minste 30°C) tegen het einde van de 21e eeuw verviervoudigen. 
Bovendien zou het aantal dagen met temperaturen boven 25°C verdubbelen, met als belangrijkste effect dat de energiebehoefte voor airconditioning in gebouwen aanzienlijk zal toenemen. Ook de productiviteit van de buitenberoepen zou hierdoor dalen en deze warmte zou ook aanzienlijke gevolgen hebben voor het thermische comfort en de gezondheid van de burgers, vooral van de groepen die het meeste risico lopen (baby's, jonge kinderen, ouderen en topsporters). 

Zo zou de geprojecteerde hittestress voor het Brussels Gewest kunnen verdubbelen tegenover de omliggende gebieden, en dat al rond het midden van de 21e eeuw. 

Wat zouden de gevolgen kunnen zijn van een dergelijke opwarming in een stedelijk gebied?

(Rapport Greenpeace 2004, Rapport CORDEX 2018, Rapport VITO 2020)
  • Gezondheid: Hittegolven zijn nu al een zeer belangrijke oorzaak van gezondheidsproblemen bij de bevolking, vooral door de hoge temperaturen die 's nachts aanhouden en een goede nachtrust van de burgers in de weg staan. 

 Anderzijds zou de stijging van de temperatuur gepaard kunnen gaan met de opkomst van nieuwe ziekten of de terugkeer van eerder uitgeroeide ziekten

  • Bossen en biodiversiteit: Door de stijging van de temperatuur zullen bepaalde soorten zich verplaatsen naar koelere gebieden (meer naar het noorden of naar hoger gelegen gebieden). De komst van nieuwe soorten in het ecosysteem kan verstorend werken en de relaties tussen de oorspronkelijke soorten wijzigen, vooral wat de concurrentie om voedsel en habitat betreft.

Anderzijds zouden onze bossen (en de bijbehorende biodiversiteit) sterk beïnvloed kunnen worden: een toenemende concentratie van CO2 zou de groei van bossen kunnen stimuleren, maar op de middellange termijn zal deze groei worden beperkt door de bodemvruchtbaarheid en de relatieve droogte als gevolg van de klimaatverandering. Er wordt dan ook aanbevolen om bomen te planten in de beste beschikbare omstandigheden en de soorten te diversifiëren om het risico te spreiden en gebruik te maken van gunstige interacties tussen soorten voor de toegang tot hulpbronnen. 

  • Watervoorziening: Het verhoogde risico op overstromingen als gevolg van zware onweersbuien kan de kwaliteit van de wateren aantasten, terwijl zomerdroogtes de neiging hebben om het watervolume te verminderen en dus ook de hoeveelheid water die voor de drinkwaterproductie gebruikt kan worden.
  • Energie: Terwijl gebouwen in de winter mogelijk minder verwarmd zullen moeten worden vanwege de hogere temperaturen, zullen we in de zomer een grotere behoefte aan koeling krijgen, om de hoge zomertemperaturen tegen te gaan.

Voor meer gedetailleerde informatie over de kwetsbaarheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ten opzichte van de klimaatverandering, raadpleeg de Focus over dit thema  en Infofiche nr. 6

Wat kunnen wij doen om deze veranderingen te milderen en ons eraan aan te passen?

1.    Op gewestelijke schaal: vermindering van de koolstofuitstoot
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de uitstoot van broeikasgassen (BKG) voornamelijk afkomstig van twee sectoren: de verwarming van gebouwen (residentieel en tertiair) en het vervoer. Deze twee sectoren nemen meer dan 80% van de rechtstreekse uitstoot van BKG voor hun rekening (zie ook de Indicator Emissies van broeikasgassen). De indirecte emissies op hun beurt (bijvoorbeeld in verband met het elektriciteitsverbruik of de productie van consumptiegoederen voor de inwoners van Brussel) liggen naar schatting vijf keer hoger dan de directe uitstoot. Een eerste werkterrein voor de bestrijding van de klimaatopwarming ligt dus bij de energie-intensieve activiteiten in het BHG.

België en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest sloten daarom een reeks internationale, nationale en gewestelijke akkoorden om de uitstoot van BKG terug te dringen (zie ook Infofiche nr. 4). Meer bepaald heeft het Brussels Gewest in zijn gewestelijk Lucht-, Klimaat en Energieplan  (opgesteld in 2016) een reeks maatregelen ingevoerd die tot doel hebben de BKG-uitstoot van het BHG tegen 2025 met 30% te verminderen ten opzichte van de uitstoot van 1990. Het Energie-Klimaatplan 2030  van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is in lijn met het vorige plan en komt overeen met de bijdrage van het Gewest aan het Belgische ontwerp van Geïntegreerd Nationaal Energie-Klimaatplan 2021-2030  dat in oktober 2019 door de regering werd goedgekeurd (zie ook de Focus Planning: milieuplannen).
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft daarom verschillende doelstellingen voor de vermindering van de koolstofuitstoot vastgelegd (aansluitend op vrijwillige verbintenissen of internationale overeenkomsten), met verschillende tijdschalen. Ze worden meer in detail beschreven in de BKG-indicator

2.    Op wijkniveau: een beter aangepaste structurering van de uitdijende stad
Met al meer dan 1,2 miljoen inwoners in 2020 voorzien de projecties een toename van de Brusselse bevolking met 8% tegen 2070 (FPB 2020; schattingen naar beneden bijgesteld als gevolg van de COVID-19-crisis). In onze steeds dichtere en warmere omgeving wordt het dan ook noodzakelijk om de stad zo te structureren dat ze anticipeert op en zich kan aanpassen aan de klimaatopwarming om de organisatie van wijken, de mobiliteit en de toegang tot de diensten te optimaliseren. 
In deze aanpak wil het platform Be Sustainable  bijvoorbeeld netwerken uitbouwen en de ontwikkeling van duurzame wijken ondersteunen. De aanpak omvat verschillende facetten die de ontwikkeling van een wijk bepalen, alsook het leven dat er vervolgens wordt uitgebouwd, met onder meer de ontwikkeling van een globale visie, de ruimtelijke ordening, het waterbeheer, de mobiliteit, de milieu-impact ...

3.    Op het niveau van de infrastructuur en de gebouwen: lokale warmteproductie vermijden en de hittebestendigheid verhogen
Bij het ontwerp (of de renovatie) van duurzame wijken kan worden gekozen voor structuren die de efficiëntie bevorderen, zoals compacte stadsvormen (met een kortere afstand tussen de diensten), betere toegang tot het openbaar vervoer (met een betere energie-efficiëntie en een kleinere impact op het milieu als gevolg) ... 

Stedenbouwkundige strategieën om de stedelijke aanpassingen te vergemakkelijken

Bron: UCCRN ARC3.2 Urban Planning and Urban Design Chapter, Raven et al. 2018. 

Verschillende concrete maatregelen worden dan ook aanbevolen (geïllustreerd in bovenstaande figuur): 

  • Investeren in de ontwikkeling van voetgangers- en fietscorridors die zachte mobiliteit (1) voor intrastedelijke verplaatsingen stimuleren. In combinatie met parken en andere groene ruimten dragen ze ook bij aan de koolstofopslag en de afkoeling van de stedelijke omgeving
  • De natuurlijke ventilatie verbeteren (2) door gebruik te maken van de dominante zomerwinden
  • Meer schaduwplekken aanleggen (3) door de wijken te oriënteren op de zon
  • De vorm en oppervlakken van gebouwen aanpassen (3): de albedo van de stad verhogen (reflecterende bouwoppervlakken), zomerwinden bevorderen en winterwinden beperken (door middel van ruwe oppervlakken) en materialen met een lage warmtecapaciteit kiezen
  • Kiezen voor 'win-wininfrastructuren' die hoe dan ook de aantrekkelijkheid van de stad en het comfort van de burgers ten goede komen (4) (zie ook de Focussen over de koelte-  en warmte-eilanden in Brussel):
    • 'Groene' infrastructuur (bomen, parken, groendaken ...) die op meer dan één niveau bijdragen: vermindering van de buitentemperatuur, vermindering van de afvloeiing van regenwater, vermindering van de vervuiling, koolstofopslag, verhoogde verdamping (dus duurzaam beheer van de watercyclus), en vermindering van het warmte-eilandeffect in de stad.
    • 'Blauwe' infrastructuur (vijvers, beken, fonteinen, kanalen ...) die ook bijdragen tot de verdampingskoeling.

Deze indirecte voordelen zullen dus waarschijnlijk leiden tot multisensorische veranderingen in de perceptie van de stedelijke ruimte (het begrip 'sfeer'), gezien hun intrinsieke potentieel voor ontspanning, ontmoeting en tal van activiteiten. 
Via studies kunnen de effecten van dergelijke maatregelen op de temperatuur gekwantificeerd worden, onder meer door het opstellen van modellen. Zo bleek uit een studie van Cugnon et al. (2019) dat de toename van de albedo (meer reflecterende bouwoppervlakken) voornamelijk een impact heeft op het warmte-eilandeffect overdag (omdat ze rechtstreeks verband houdt met de straling). Omgekeerd heeft een toename van de bodemvegetatie vooral een impact op het warmte-eilandeffect 's nachts, waardoor het een geschiktere oplossing is voor een betere slaapkwaliteit. Dergelijke oplossingen worden ook 'Nature-Based Solutions' genoemd ('oplossingen gebaseerd op de natuur'). Een studie van de VITO (2020)  wijst op hun effecten op verschillende soorten hinder in een stedelijke omgeving (luchtvervuiling, warmte, lawaai) en uit diezelfde studie blijkt dat de vegetatie een verkoelend effect kan hebben op de temperatuur van de lucht of de bodem (in het geval van het aanleggen van schaduwplekken). Ook wateroppervlakken kunnen een dergelijk effect hebben, op voorwaarde dat ze voldoende diep zijn om te vermijden dat de warmte (die overdag werd opgeslagen) 's nachts afgegeven wordt. 
Hittegolven kunnen ook beïnvloed worden door dergelijke maatregelen, maar tot nu toe tonen de studies aan dat de effecten van de albedo of de bodemvegetatie gunstig kunnen zijn op de middellange termijn (2040-2070), maar bijna onbetekenend worden op de lange termijn (2070-2100), gezien de aangekondigde algemene temperatuurstijging als gevolg van de globale klimaatopwarming (Cugnon et al. 2019). Daarom moet voorrang worden gegeven aan de vermindering van de BKG-uitstoot, zodat de stedelijke aanpassingen een blijvend effect hebben in de loop van de tijd.

Datum van de update: 03/06/2021

Documenten: 

Factsheets

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

Studies en rapporten

Fiche van de Staat van het Leefmilieu