U bent hier

Focus: De aanpassing aan de klimaatveranderingen

Actualisering : december 2015

Een studie toont aan dat het Gewest te kampen zal krijgen met potentieel negatieve effecten van de aangekondigde klimaatverandering, vooral op het vlak van leefmilieu en gezondheid, meer bepaald te wijten aan de verhoogde kans op extreme weerfenomenen (hittegolven, overstromingen enz.). Als stad is het Gewest extra kwetsbaar omwille van verschillende factoren: de sterke verstedelijking en toenemende ondoorlaatbaarheid van de bodems, een hoge bevolkingsdichtheid met een groot aandeel kwetsbare gezinnen, de sterke concentratie van infrastructuur en materiële goederen...

Mitigatie en aanpassing, complementair in de strijd tegen klimaatveranderingen

De beleidsmaatregelen die er op klimaatvlak getroffen worden, omvatten twee complementaire kanten: ten eerste de preventie van de klimaatveranderingen - of het mitigatiebeleid - met een vermindering van de BKG-emissies als doel en ten tweede de aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering (zowel op het vlak van het milieu als op het vlak van de economie en de samenleving). De meeste klimaatmaatregelen die reeds op internationaal, Europees en nationaal niveau zijn genomen, waren aanvankelijk toegespitst op mitigatie, op tempering van de effecten. Vandaag ligt in de beleidskeuzes meer de nadruk op aanpassing, onontbeerlijk om de bestaande en toekomstige gevolgen van de klimaatverandering het hoofd te bieden.

Op internationaal niveau heeft het Raamverdrag Klimaatverandering van de VN (UNFCCC - United Nations Framework Convention on Climate Change) geleid tot de invoering van een dwingend kader voor het aanpassingsbeleid. Europa startte in het begin van de jaren 2000 met een denkoefening, die in april 2013 uitmondde in de goedkeuring van een Europese strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering. Die strategie schept een kader en zet mechanismen op om de Europese Unie sterker te wapenen tegen de huidige en toekomstige klimaatveranderingen.

Op Belgisch niveau werd in 2010 een nationale adaptatiestrategie goedgekeurd. Na de goedkeuring van die strategie keurde de Nationale Klimaatcommissie op 19 april 2017 een Nationaal Klimaatadaptatieplan 2016-2020 goed. Dat bevat een tiental maatregelen met een nationale draagwijdte (uitwerking van nieuwe gemeenschappelijke klimaatscenario’s, ontwikkeling van een nationaal adaptatieplatform, …) die een aanvulling vormen op de maatregelen die vervat zitten in de adaptatieplannen uitgewerkt door de Gewesten en het federale niveau in hun respectievelijke bevoegdheidsdomeinen. De uitwerking van het nationaal plan werd gecoördineerd in de werkgroep “Adaptatie” van de Nationale Klimaatcommissie. Het plan werd, voor advies, voorgelegd aan de bevoegde adviesorganen. Het kan worden gedownload op de website van de NKC, de Nederlandse, Franse en Engelse versie.

Leefmilieu Brussel bestelde in 2012 een studie over de adaptatie van het Gewest aan de klimaatveranderingen om zijn Lucht-Klimaat-Energieplan uit te werken dat werd goedgekeurd op 2 juni 2016. Deze focus stelt er de voornaamste resultaten voor het leefmilieu en voor de maatschappij van voor.

Evaluatiecriteria voor de risico's verbonden aan de klimaatverandering

Het einddoel van de studie was om de voornaamste gewestelijke kwetsbaarheden tegen de klimaatveranderingen bloot te leggen, om vervolgens een aantal actiepistes uit te stippelen voor de gewestelijke strategie. Kwetsbaarheid moet hier worden verstaan als de mate waarin het Gewest is blootgesteld aan de mogelijk nefaste gevolgen van de klimaatverandering. De studie wees ook op een aantal opportuniteiten verbonden aan de klimaatverandering, maar die zijn eerder beperkt en van korte duur.

Evaluatieschema van de klimaatrisico's voor menselijke en natuurlijke systemen
Bron: Leefmilieu Brussel, 2015

Evaluatieschema van de klimaatrisico's voor menselijke en natuurlijke systemen

De kenschetsing van het risico is geënt op drie criteria (zie bovenstaande figuur):

  1. De blootstellingsgraad aan klimaatgevaren, gelet op de evolutie van het Gewestelijk klimaat in het verleden (KMI, rapport Oog voor het klimaat, 2008 & zie factsheet nr.2) en op de evolutieprognoses voor de toekomst (klimaatvoorspellingen tegen 2030, 2050 en 2080). Het gaat natuurlijk om voorspellingen, er is dus een zekere graad van onzekerheid.
  2. De gevoeligheid (kwetsbaarheid) van het Gewest: evaluatie van de impact op de watervoorraden, de biodiversiteit en de bossen, de energie, de gezondheid, de ruimtelijke ordening en de infrastructuren, het toerisme (een sector die niet is opgenomen in deze focus). Er is ook rekening gehouden met de dringendheid om actie te ondernemen tegen de verwachte impact.
  3. Het aanpassingsvermogen van het Gewest, huidig of potentieel, wordt getoetst aan de mate van bewustwording van de maatschappij, aan de mate waarin men in de bestaande planningsdocumenten oog heeft voor de kwestie en aan de Gewestelijke beleidskeuzes omtrent het thema.

De risicobeoordeling en het blootleggen van de kwetsbaarheden van het Gewest zijn gebeurd aan de hand van een reeks indicatoren waarvan de pikorde en weging bepaald zijn naar de inschatting van deskundigen: het resultaat is een zekere subjectiviteit in de analyse van de kwetsbaarheden.

Toekomstige en vermoedelijke evolutie van het klimaat in het Brussels gewest

De toekomstige en op termijn vermoedelijke evolutie van het klimaat in het BHG kan kort samengevat als volgt gekarakteriseerd worden (KMI, rapport Oog voor het klimaat, 2015 & zie factsheet nr.2) :

  • Een warmer klimaat ;
  • Een sterker seizoensgebonden karakter van de neerslag: minder in de zomer, meer in de winter;
  • Een toename van de frequentie of van de hevigheid van extreme weerfenomenen (hevige regen in de winter, onweders en hittegolven in de zomer).

Voornaamste kwetsbaarheden van het Brussels gewest

De versterking van het stedelijk warmte-eilandeffect (zie de focus over dit thema) houdt gezondheidsrisico's in voor de bevolking. Het verschijnsel versterkt immers de luchtvervuiling, door de vorming van ozon te bevorderen, wat bijzonder gevaarlijk kan zijn voor kwetsbare mensen en voor kinderen. Vooral in het sterk verstedelijkt centrum van het Gewest is dat fenomeen enorm uitgesproken, terwijl toevluchtsoorden (groene ruimten) er het zeldzaamst zijn, de leefomgeving er slecht aangepast is en er een concentratie is van kwetsbare bevolkingsgroepen. Nieuwe studies van het KMI (Hamdi et al., 2013) mogen dan de stijging van de temperaturen in de toekomst bevestigen, ze nuanceren wel de toekomstige evolutie van het warmte-eilandeffect: dat zou 's nachts stand houden, maar overdag eerder getemperd worden (door de toename van de temperaturen op het platteland) (zie de focus over dit thema).

De toename van hittegolven en een algemene stijging van de temperaturen zullen ook gevolgen hebben voor de gezondheid van de Brusselaars: allereerst door een verslechtering van de luchtkwaliteit (meer ozonpieken) en vervolgens door een toenemend risico op allergieën en infectie- en vectorziektes.

Door het hogere warmtegevoel in de steden zal vaker worden teruggegrepen naar airco's: welnu, gelet op de impact van airco-installaties op het broeikaseffect, zou die reflex het mitigatiebeleid op termijn dus tenietdoen.

Wat transport en infrastructuur betreft, is er sprake van een permanent risico op verstoring van het transport bij extreme weerfenomenen, alsook van een hogere kwetsbaarheid en een slechte aanpassing van de transportinfrastructuur en van gebouwen tegen hitte en droogte, waardoor het stedelijk warmte-eilandeffect nog zou toenemen.

Een van de andere zwaktes van het Gewest is het almaar hogere overstromingsrisico (zie de focus over dit thema), toe te schrijven aan de toenemende verstedelijking en ondoorlaatbaarheid van de bodems. Volgens de laatste klimaatmodellen zal er in de winter meer neerslag vallen, waardoor het overstromingsrisico in dat seizoen zal toenemen. In de zomer zal er weliswaar minder neerslag vallen, maar door de hogere temperaturen zouden de luchtlagen zich grilliger gaan gedragen en zo meer stormen veroorzaken: dat scenario mag dan onzeker zijn, voorzichtigheidshalve houden we er best rekening mee dat het overstromingsrisico in de zomer even hoog is.

Een ander ingrijpend gevolg van de klimaatverandering heeft betrekking op het debiet van onze waterlopen, de aanvulling van de grondwaterlagen en de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De lagere neerslaghoeveelheden in de lente en zomer, gecombineerd met de algemene temperatuurstijging, zullen hoogstwaarschijnlijk leiden tot een sterkere evapotranspiratie. Voor het oppervlaktewater zou dat leiden tot sterker uitgesproken lage waterstanden (een daling van het minimumdebiet van rivieren), waardoor vervuilende stoffen minder worden opgelost in de waterlopen en bijgevolg de kwaliteit van het oppervlaktewater verslechtert. Vijvers zouden dan weer te kampen krijgen met een sterkere eutrofiëring. Wat het grondwater betreft, zou de aanvulling van de grondwaterlagen in het gedrang kunnen komen indien het tekort aan neerslag in de lente niet gecompenseerd wordt door het teveel ervan in de winter. De inzet hier is in het bijzonder de instandhouding van het waterlichaam van het Brusseliaan, dat aangewend wordt voor de productie van drinkwater.

Het laatste vastgestelde ingrijpende effect is de impact op de biodiversiteit en op het Zoniënwoud. Allereerst zouden de bomen met wortels zich minder stevig verankeren (door watertekort, de afname van het aantal vriesdagen...) en zo minder goed felle wind kunnen weerstaan. Maar de klimaatverandering zou vooral het aanpassingsvermogen van soorten aan hun omgeving en hun verspreidingsgebied kunnen aantasten. In het geval van het Zoniënwoud zou die impact niet enkel het bomenbestand treffen, maar ook de dier- en plantensoorten die er afhankelijk van zijn (bijvoorbeeld tijdens bestuivingsprocessen of bij de overdracht van ziektes) (zie « Zoniënwoud en risico’s verbonden aan de klimaatwijziging » van de staat van het leefmilieu van 2007-2008 & « Gezondheidstoestand van het Brussels Zoniënwoud » van de staat van het leefmilieu van 2011-2014). De gebrekkige verbinding van leefgebieden versterkt de kwetsbaarheid van de soorten die we aantreffen in het Brussels Gewest (zie « De fragmentatie en het isolement van de groene ruimten » van de staat van het leefmilieu van 2011-2012). Tot slot zou het aantal invasieve soorten kunnen toenemen en zouden die soorten zich sterker verspreiden (zie « Invasieve exoten » van de staat van het leefmilieu van 2011-2014).

De onderstaande tabel illustreert de verschillende kwetsbaarheden van het Gewest.

Voornaamste zwakke punten en opportuniteiten van het Brussels gewest naar aanleiding van de verwachte klimaatevolutie
Bron: Uittreksel uit de managementsamenvatting van de studie rond aanpassing aan de klimaatverandering in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (met uitzondering van de impact op het toerisme), 2012

Voornaamste zwakke punten en opportuniteiten van het Brussels gewest naar aanleiding van de verwachte klimaatevolutie

Enkele opportuniteiten

Ook met de potentieel positieve aspecten van de klimaatverandering wordt rekening gehouden in het beleidswerk rond aanpassing, ongeacht het ruimtelijk of institutioneel niveau, van het IPCC tot de gewestelijke denkoefeningen.

Mogelijke opportuniteiten die naar voren komen in de studie, houden vooral verband met de verwachte daling van koudegolven en van het aantal dagen vorst:

  • Allereerst zou door een daling van de verwarmingsbehoefte in gebouwen het energieverbruik en de bijhorende uitstoot van vervuilende stoffen afnemen tijdens koude periodes;
  • Vervolgens zouden er door een verbetering van de luchtkwaliteit (zoals hierboven aangegeven) en een afname van het aantal koudegolven minder gezondheidsproblemen zijn tijdens het koude seizoen;
  • Tot slot zal er ook minder vorstschade zijn, zowel aan het bosbestand als aan de wegen, spoorwegen en aan het elektriciteitsnet.

Er kwam nog een andere opportuniteit aan het licht, die te maken heeft met de verwachte temperatuurstijging: de toename van de plantengroei en in het bijzonder de sterkere aangroei van bossen.

De studies benadrukken evenwel de voorbijgaande aard en de beperkte reikwijdte van die opportuniteiten: gelet op de verwachte klimaatverandering zullen er drempels overschreden worden die deze volledig teniet zullen doen (Factor-X, Ecores, TEC, 2012).

Welk aanpassingsbeleid in Brussel?

Het gewestelijk aanpassingsbeleid is multidisciplinair. Het beperkt zich niet tot milieumaatregelen. Sociale en socio-economische maatregelen kunnen immers ook helpen de blootstelling van bevolking, fauna en flora en infrastructuur aan de schadelijke gevolgen van de klimaatverandering en dus hun kwetsbaarheid voor die veranderingen te beperken.

De krachtlijnen van het gewestelijk aanpassingsbeleid zijn opgenomen in het geïntegreerd plan Lucht-Klimaat-Energie. Sommige aanpassingsmaatregelen komen ook terug in het ontwerpplan voor waterbeheer (met inbegrip van het beheerplan voor overstromingsrisico's) en in het plan natuur. De meest opvallende aanpassingsmaatregelen zijn onder andere het terugdringen van de blootstelling van de bevolking aan overstromingsrisico's, de strijd tegen de schadelijke effecten van het ondoordringbaar maken (impermeabilisatie) van de bodems op het leefmilieu, de ontwikkeling van groene, blauwe (oppervlaktewater) en grijze (rioolnet) netwerken, en energierenovatie in bestaande gebouwen. Heel vaak ligt de nadruk op de meest kwetsbare bevolkingsgroepen. Daarnaast zal het toekomstige beheerplan voor het Zoniënwoud maatregelen bevatten om de veerkracht van het woud tegen de gevolgen van de klimaatveranderingen te versterken (door een hogere soortendiversiteit enz.).

Die aanpassingsmaatregelen zijn zogeheten 'no regrets'- of 'geen spijt'-maatregelen, anders gezegd maatregelen met ecologische en maatschappelijke baten die verder gaan dan de loutere aanpassing aan de klimaatverandering. Ze zijn ontegensprekelijk gunstig voor de ontwikkeling van de natuurlijke ecosystemen, voor de sociale cohesie en voor de levenskwaliteit, en dat los van de klimaatverandering.
 

Datum van de update: 17/03/2020
Documenten: 

Factsheet(s)

Fiche(s) van de Staat van het Leefmilieu

Studie(s) en rapport(en)

Plan(nen) en programma(‘s)