U bent hier

Evolutie van het klimaat in het BHG

Focus - Actualisering : februari 2020

Sinds 1833 is in Ukkel een significante stijging van de gemiddelde jaartemperatuur met 2°C waargenomen, en wel in twee fasen. De resultaten zijn minder significant voor de neerslag en de sterke wind, maar zijn wel het monitoren waard. 

Meteorologische gegevens sinds 1833

De langste reeksen meteorologische waarnemingen in België zijn die van de regio Brussel, die al sinds 1833 op regelmatige basis worden uitgevoerd. Eerst in Sint-Joost-ten-Node (op de oude site van de Sterrenwacht van België) en daarna in Ukkel vanaf 1886. Toen moest de Sterrenwacht naar de zuidelijke rand van de stad verhuizen waar de omgeving zich beter leende voor de astronomische waarnemingen.
Zodoende beschikt het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België (of KMI) over meetreeksen van meer dan 100 jaar voor de temperatuur, de luchtvochtigheid, de hoeveelheid en het aantal dagen neerslag, de luchtdruk, de windsnelheid, de zonneschijnduur, het aantal dagen met sneeuw en de sneeuwbedekking van de bodem.

De statistische analyse van deze reeksen die in Brussel-Ukkel zijn geregistreerd, maakt het mogelijk om, na homogenisering , een antwoord formuleren op de vraag "kunnen we in België een verandering van het klimaat waarnemen?". Dit kwam aan de orde in de rapporten "Oog voor het klimaat" (van 2008 en 2015) van de KMI, waarvan de resultaten hieronder worden weergegeven.

Een opwarming van ongeveer 2 °C in 180 jaren

Onderstaande figuur toont de evolutie van de gemiddelde jaartemperatuur in Brussel sinds 1833. 

Evolutie van de gemiddelde jaartemperatuur (in °C) in St-Joost-Ten-Node/Ukkel tussen 1833 en 2014

Bron : KMI, 2015, "Oog voor het klimaat

De blauwe curve komt overeen met de jaarwaarden van de parameter en de rode horizontale lijnen met de gemiddelde waarden van de parameter over de verschillende perioden tijdens de welke de jaarwaarden relatief stabiel bleven rond deze gemiddelden.

 

Een globale opwarming van ongeveer 2 °C is opgemerkt over de beschouwde periode.
De stijging van de temperaturen was niet gelijkmatig. Zij deed zich voor in twee relatief abrupte etappen: er was een eerste stijging rond 1910 (gemiddeld over het hele jaar) en een tweede aan het einde van de jaren 1980. In beide gevallen ging het om een stijging van de jaargemiddelde temperatuur van een vergelijkbare grootorde, namelijk 1 °C. De eerste stijging is voornamelijk te wijten aan een stijging van de maximale temperaturen, terwijl de tweede vooral toe te schrijven is aan een zeer duidelijke stijging van zowel de minimum- als de maximumtemperatuur.

Uit het onderzoek van de seizoenstemperaturen blijkt dat de gemiddelde winter- en lentetemperatuur, net zoals de gemiddelde jaartemperatuur, ook een eerste vrij abrupte en zeer opmerkelijke opwarming hebben gekend rond 1910 en een tweede tegen het einde van jaren 1980. De zomer en de herfst hebben eveneens twee zeer opmerkelijke periodes van opwarming meegemaakt, de eerste manifesteerde zich rond 1925-1930 en de tweede rond het begin van de jaren 1980. 

Er kunnen ook andere opmerkingen worden gemaakt: 

  • De frequentie van de hittegolven vertoont een significante stijgende trend in het begin van de jaren 1990. De variabiliteit van deze parameter is echter significant gedurende de hele 20ste eeuw.
  • De frequentie van de koudegolven lijkt in het begin van de jaren 1970 aanzienlijk afgenomen.  De algemene stijging van de minimumtemperaturen tijdens de 20ste eeuw heeeft ook geleid tot een verlenging van de langste  periode van het jaar zonder vorstdagen.

Minder significante resultaten voor de neerslag en de stormen

Evolutie van de jaarlijkse neerslaghoeveelheden (in mm) in Sint-Joost-ten-Node/Ukkel tussen 1833 en 2014

Bron : KMI, 2015, "Oog voor het klimaat"
De blauwe curve komt overeen met de jaarwaarden van de parameter en de rode horizontale lijnen met de gemiddelde waarden van de parameter over de verschillende perioden tijdens de welke de jaarwaarden relatief stabiel bleven rond deze gemiddelden.

 


Voor de neerslaghoeveelheden leidt het onderzoek van de gegevens tot minder significante resultaten (wat gedeeltelijk wordt verklaard door de grote variabiliteit van de neerslag in onze contreien). 
De analyse van de reeks toont echter een toename rond 1910, gekenmerkt door een stijging in de orde van 7 % van de jaarlijkse neerslaghoeveelheden. Op het niveau van de seizoenen vertonen de winter- en de lenteneerslag rond 1910 en 1965 eveneens een abrupte stijging (met 15 %). Voor de hoeveelheden zomer- en herfstneerslag viel er daarentegen geen significante evolutie op te tekenen. 

In het Brussels Gewest is de laatste jaren een tendens tot verhoging van de intensiteit en de frequentie van onweersbuien waargenomen. Deze trend moet de komende jaren worden bevestigd als we willen spreken van een opmerkelijke evolutie. 

Aan de andere kant is door de stijging van de temperaturen in het begin en op het einde van de 20ste eeuw, de neerslag onder de vorm van sneeuw in Ukkel veel minder vaak voorgekomen. 

Wat ten slotte de stormen betreft, blijkt uit de analyses die tot nu toe werden uitgevoerd met betrekking tot sterke winden in Ukkel sinds 1940, dat er nog geen specifieke trend is in de intensiteit van de sterktste jaarlijkse winden of in de frequentie van de maximale windstoten.

Datum van de update: 10/11/2020