U bent hier

Focus : De ree in het Brussels Gewest

Actualisering : juni 2020

De drie Gewesten voeren samen een programma uit om de reeënpopulaties in het Zoniënwoud te monitoren.  Na een periode van relatieve stabiliteit tussen 2008 en 2013 wijzen de waarnemingen op een afname van de reeënpopulaties sinds 2014. Verscheidene hypothesen worden aangevoerd : aanrijdingen door auto's, stroperij, loslopende (zwerf)honden en jagende vossen, veranderingen in de opvangcapaciteit van het gebied, toenemende recreatieve druk, aanwezigheid van everzwijnen, ziekten. Er is momenteel geen duidelijke verklaring en waarschijnlijk zijn er meerdere factoren in het spel.

 

Een soort die voornamelijk aanwezig is in het Zoniënwoud... maar niet alleen daar

Samen met het everzwijn, dat discreet aanwezig is in het Brusselse Zoniënwoud, is de ree (Capreolus capreolus) het laatste grote plantenetende wilde zoogdier dat nog in het Gewest leeft (in de 19de eeuw werd de soort weliswaar opnieuw uitgezet). 
Reeën leven in bossen en bosjes, maar hebben ook open ruimten nodig. De soort komt vooral voor bij de overgang tussen verschillende biotopen (bosranden, grasland met bosjes, enz.). In Brussel is ze vooral aanwezig in het Zoniënwoud, met een zeer variabele dichtheid afhankelijk van de sector. Sinds 2001 zijn er ook waarnemingen gedaan in andere semi-natuurlijke gebieden zoals in het noordwesten rond Jette-Ganshoren of in het Scheutbospark in Molenbeek.
Als herbivoren helpen reeën de vegetatie in hun ecosysteem te beheren, aangezien ze jonge bomen grazen. Ze dragen dus bij aan het onderhoud van open plekken of halfopen gebieden, maar kunnen soms ook de herbebossing bemoeilijken wanneer ze zich in jonge aanplantingen voeden. Net als andere dieren vertrappen ze de bodem, waardoor ze sommige zaden ondergraven en andere blootleggen. 

Waarnemingen van reeën in het Brussels Gewest

Bron: Leefmilieu Brussel, Zoogdierenatlas 2001-2017 (2020)

 

Samenwerking tussen de drie Gewesten om de reeënpopulaties in het Zoniënwoud te volgen

Sinds 2008 voeren de drie Gewesten samen een monitoringprogramma uit voor de reeënpopulaties in het Zoniënwoud, met de steun van de vzw Wildlife & Man.
Ze gebruiken daarvoor de kilometerindex (Abundance Kilometric Index of AKI), die tendensen in de evolutie van de reeënpopulatie aan het licht brengt, zonder echter de exacte dichtheid te bepalen.
Elk jaar leggen boswachters en opgeleide vrijwilligers gelijktijdig en volgens een strikt protocol vooraf bepaalde circuits van 3 tot 5 km te voet af.  Sinds 2009 worden de tellingen vier keer uitgevoerd in een bepaalde maand, langs 24 parcours die samen goed zijn voor 118,5 km (parcours 1 werd enkel in 2008 afgelegd). Normaal gesproken wordt er dus elk jaar 474 km afgelegd om de reeën in het volledige woud te tellen. 

Parcours voor de monitoring van de reeënpopulaties in het Zoniënwoud op basis van de kilometerindex 

Bron: Leefmilieu Brussel 2019
Parcours voor de monitoring van de reeënpopulaties in het Zoniënwoud op basis van de kilometerindex

Het totale aantal geobserveerde reeën wordt vervolgens gedeeld door het aantal afgelegde kilometers en omgezet in een kilometerindex (aantal geobserveerde reeën per kilometer). Deze waarde is gezien het gebruikte protocol statistisch significant en van jaar tot jaar vergelijkbaar. Ze wordt gebruikt om populatievariaties op te sporen (groei, stabiliteit of regressie) en geeft de bosbeheerders de mogelijkheid om in te grijpen als dat nodig is.

 

De reeënpopulatie neemt sinds enkele jaren af in het Zoniënwoud

Van 2008 tot 2013 werd de globale reeënpopulatie geschat op minstens 150 individuen, verspreid over de 5.000 hectare van het Zoniënwoud, d.w.z. gemiddeld meer dan 3 individuen per 100 hectare (of km2) (HUYSENTRUYT et al., 2016). Die lage dichtheid moet in verband gebracht worden met enerzijds het sterk vertegenwoordigde ‘kathedraalbeukenbos’ (gelijkjarig, eensoortig bos, arm aan voedingsstoffen voor reeën) en anderzijds de regulering van de reeënpopulatie door het wegverkeer en loslopende (zwerf)honden (jagen is verboden in het Zoniënwoud).  Het Zoniënwoud wordt bovendien druk bezocht en de verstoringen die daarmee gepaard gaan, zijn zeker niet bevorderlijk voor de reeënpopulaties.

De volgende tabellen en cijfers geven de belangrijkste resultaten van de telling weer: 

 

Jaarlijkse evolutie van de gemiddelde kilometerindex en betrouwbaarheidsintervallen (95%) op de verschillende parcours in het Zoniënwoud

Bron: Wildlife & Man 2019 
 

Terwijl in de periode 2008-2013 de gemiddelde kilometerindex 1 ree per kilometer bedroeg, is hij sinds 2014 nooit hoger dan 0,75 en sinds 2017 zelfs minder dan 0,60.
Op basis van de hypothese dat de overvloedige natuurlijke verjonging van de beuk die de laatste jaren werd waargenomen, de oorzaak zou kunnen zijn van een lagere detecteerbaarheid van de dieren tijdens de tellingen (dichtheid van de onderbegroeiing), hebben de wetenschappelijke partners de monitoringsmethodologie in 2017 aangepast.  
Sindsdien is de index echter niet meer gestegen. De precieze oorzaak van deze daling is onduidelijk. Er zijn verschillende hypothesen geopperd, die elkaar kunnen overlappen: botsingen met auto's, stroperij, impact van zwerfhonden, jagende vossen (vooral op de kalveren), veranderingen in de onthaalcapaciteit van het gebied, toenemende recreatieve druk (herhaalde verstoringen kosten de dieren veel energie), aanwezigheid van everzwijnen en ziekten. Alleen verder onderzoek kan een definitief antwoord geven. 
Inmiddels blijven de bosbeheerders alert voor het fenomeen van predatie door honden, de gezondheid van de waargenomen reeën en sporen van mogelijke stroperij op de reeënpopulatie.
Daarnaast zoeken de Gewesten in het kader van de intergewestelijke samenwerking oplossingen voor de versnippering van het woud, door verbindingen aan te leggen (ecoducten, ecobuizen, hangbruggen, enz.). Er zijn al twee ecoducten aangelegd. Eén in het Brusselse deel, boven lijn 161 (als onderdeel van de compensaties voor het GEN-ontwikkelingsproject), het andere in het Vlaamse deel in het kader van het Europese project Life+ OZON, boven de Ring 0. Deze voorzieningen zullen naar verwachting de connectiviteit binnen het Zoniënwoud verbeteren en de sterfte onder de bosfauna langs deze wegen doen dalen.
Een studie van het Vlaams Gewest in 2019-2020 heeft de impact van 3 verbindingsvoorzieningen in het Zoniënwoud onderzocht. Eén van de bevindingen is dat het ecoduct over de Ring veel gebruikt wordt door wilde dieren, vooral vossen en reeën (Natuurpuntstudie 2020). Daarnaast is ook het aantal verkeersdoden gedaald dankzij de barrières die langs de Ring zijn aangebracht.
Andere verbindingsprojecten worden momenteel bestudeerd.

Datum van de update: 19/10/2020
Documenten: 

Factsheets

    Fiches van de Staat van het Leefmilieu

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel 

Studies en rapporten

Plannen en programma‘s