U bent hier

Boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud

Focus – Actualisatie : januari 2021

De jaarlijkse inventaris van het boserfgoed draagt, samen met andere studies en veldwaarnemingen, bij tot een betere kennis van het Zoniënmassief. De inventaris verschaft essentiële gegevens voor een kwalitatief hoogstaand bosbeheer.
Op basis daarvan kan men onder meer tot de volgende vaststellingen komen:
-    66% van de oppervlakte van het Zoniënwoud bestaat uit homogene of gemengde beuken- en eikenbossen;
-    Bijna de helft van het beukenbosoppervlak bestaat uit oude beukenbossen van meer dan 120 jaar oud;
-    Zowel in de beuken- als in de eikenbossen is er een aanzienlijk onevenwicht in de leeftijdsklassen, wat een duurzaam bosbeheer bemoeilijkt als de mens niet ingrijpt; 
-    Naar schatting groeit het beukenbos in het Brusselse Zoniënwoud 9 tot 11 m3/ha/jaar, wat het tot een van de productiefste beukenbossen van België en zelfs van de wereld maakt;
-    Sinds 2005 vindt natuurlijke verjonging plaats in de oude beukenbestanden. De esdoorn, de es, de haagbeuk, de boskers en de berk verjongen ook goed op natuurlijke wijze;
-    Met een gemiddelde van ongeveer 21 m3 dood hout per ha lijkt de hoeveelheid dood hout in het Zoniënwoud de laatste jaren te zijn toegenomen, maar deze gegevens moeten nog worden bevestigd. 

De bosinventaris: een instrument voor bosbeheer

Met zijn 1.659 ha beslaat het Zoniënwoud ongeveer 10% van het Brusselse grondgebied. Zijn beheer, dat voornamelijk door de onderafdeling Bos en Natuur wordt verzekerd, is gebaseerd op talrijke wetenschappelijke gegevens en in het bijzonder op de inventaris van de staat van het boserfgoed van het Zoniënwoud. 
Deze jaarlijkse inventaris wordt sinds 2008 uitgevoerd en is gebaseerd op een systematische bemonstering van percelen binnen elke vierkante maas (200 m bij 200 m) van een inventarisraster.   De meetcampagnes voor de inventaris worden zo georganiseerd dat elk jaar een van de 8 in het Brusselse Zoniënwoud afgebakende kappen aan bod komt. 
De metingen en waarnemingen betreffen niet alleen de bomen, maar ook de aanwezige flora, bepaalde sporen van de aanwezigheid van fauna, de bodem of de topografie. Na 8 jaar inventarisatie kunnen de waargenomen waarden aan de hand van een statistische verwerking worden geëxtrapoleerd naar het gehele woud.  Alleen bomen met een stamomtrek van 40 cm of meer gemeten op 1,5 m van de grond worden in aanmerking genomen.  
Eenmaal verwerkt leveren deze gegevens een schat aan informatie op (LEJEUNE P. et al. 2009): 

  • omvang en aard van het staande hout in de bestanden: volume staand hout, aantal bomen en dichtheid van het bestand, grondvlak (dwarsdoorsnede op 1,5 m van de grond van een boom of bestand), gemiddelde stamomtrek enz.;
  • samenstelling: omvang en diversiteit van de houtachtige soorten die in de bestanden worden aangetroffen;
  • structuur: verdeling van de bomen per grootteklasse (wat de leeftijd van de bomen en het demografische evenwicht van het bestand weerspiegelt);
  • samenstelling en mate van de verjonging: deze parameter geeft de mate van verjonging van het bos aan, een essentiële voorwaarde voor de duurzaamheid ervan, en moet parallel met de structuur worden beschouwd;
  • gezondheidstoestand: zichtbare gezondheid van de bomen;
  • plantensamenstelling: lijst en relatief belang van de soorten die worden aangetroffen in de verschillende lagen van het plantendek (bomen, struiken, kruidachtige planten), een interessante indicator voor de biodiversiteit van het ecosysteem;
  • voorraad dood hout: de hoeveelheid dood hout, staand of rottend op de grond, is een andere interessante indicator voor de beoordeling van de biodiversiteit. Deze dode bomen zijn namelijk bevoorrechte ecologische niches voor veel organismen;
  • berekening van de aanwas: nu de inventaris zijn tweede cyclus heeft bereikt en de bemonsteringspercelen opnieuw worden bezocht, kunnen de gegevens van de opeenvolgende etappes worden gebruikt om de groei van de bomen te meten (uitgedrukt in dikte, hoogte of volume). 

De evolutie van het aantal aanwezige bomen maakt het ook mogelijk te controleren in hoeverre de door de beheerder geplande bomenkap verenigbaar is met het groeipotentieel van het woud. 
In de volgende paragrafen worden de belangrijkste bevindingen van deze inventaris samengevat.

Grotendeels door beuk gedomineerde bosbestanden 

60% van de oppervlakte van het Brusselse Zoniënwoud bestaat uit beukenbossen, waarvan 52% homogene beukenbossen.  De homogene en gemengde eikenbossen vertegenwoordigen 6% van de oppervlakte. De resterende oppervlakte wordt ingenomen door naaldboombestanden (3%) en gemengde bestanden met diverse soorten (31%).
Naast beuk, zomereik (de meerderheid) en wintereik, vinden we onder de loofbomen met name esdoorn, berk, es, wilg, els, haagbeuk, boskers en kastanje. De voornaamste naaldboomsoorten (3%) zijn de grove den, de lork en de Corsicaanse den.

Samenstelling van de bosbestanden in het Zoniënwoud 

Bron: Samenvatting 2020 van de bosinventaris van het Brusselse Zoniënwoud - Unité de gestion des ressources forestières et des milieux naturels (FUSAGX-ULg, 2020)
 

Deze gegevens zijn evenwel niet volledig te vergelijken met die van het beheerplan van het Zoniënwoud, omdat de bestanden anders worden ingedeeld.  Als gevolg daarvan worden sommige eiken die vroeger tot de categorie ‘gemengd eikenbos’ behoorden, nu ingedeeld als ‘gemengd bestand’. Bovendien zijn de talrijke eikenaanplantingen van de laatste jaren (hoofdzakelijk in de vorm van homogene eikenbossen) nog te jong om in de inventaris te worden opgenomen (ter herinnering: alleen bomen met een omtrek > 40 cm worden geïnventariseerd).
De kaart met de soortensamenstelling van de bestanden, die is opgesteld in het kader van het tweede beheerplan van het Zoniënwoud, is beschikbaar in de factsheet over de inventaris van het boserfgoed van het Zoniënwoud (zie links hieronder).

Bijna de helft van het beukenbosoppervlak bestaat uit oude beukenbossen van meer dan 120 jaar oud.

In een evenwichtig bos moet elke leeftijdsklasse in theorie dezelfde oppervlakte innemen. Zowel in de beuken- als in de eikenbossen, de overheersende bestanden, is er een aanzienlijk onevenwichtig in de leeftijdsklassen. 
Voor de homogene en gemengde beukenbossen betekent dit een oververtegenwoordiging van de oudste leeftijdsklassen en een ondervertegenwoordiging van de jongste, wat de duurzaamheid van deze bestanden in gevaar brengt. De recente natuurlijke verjonging van de beuken (zie hieronder) resulteert echter in een verhoogde vertegenwoordiging van de categorie 0-20 jaar oud.
In de homogene eikenbossen zijn de jonge leeftijdsklassen sterk vertegenwoordigd, vooral na de aanplantingen na de storm van 1990. De tussenliggende leeftijdsklassen (80 tot 140 jaar) zijn slecht vertegenwoordigd in zowel de homogene als de gemengde eikenbossen, wat in de toekomst tot een tekort aan oude eikenbestanden zal leiden.

Een van de meest productieve bossen van België

Op basis van de beschikbare inventarisgegevens heeft het departement Bos een raming gemaakt van de aanwas van de beukenbossen in het Brusselse Zoniënwoud (persoonlijke mededeling, 2021): deze zou tussen 9 en 11 m3/ha/jaar bedragen. Deze grootteorde, die overeenkomt met een zeer hoge productiviteit, is vergelijkbaar met andere evaluaties die voor het Zoniënwoud zijn uitgevoerd.
Deze waarden wijzen op een zeer gestage groei van de beuken en een momenteel gunstige situatie voor deze soort, die in dit stadium geen merkbare tekenen van achteruitgang vertoont (zie ook Gezondheidstoestand van beuken en eiken in het Zoniënwoud).  Deze situatie kan echter snel veranderen. 

De natuurlijke verjonging van verschillende soorten, een te benutten kans 

Een van de voordelen van een natuurlijke verjonging is dat ze gratis is, een aangepaste lokale oorsprong heeft en vaak overvloedig opkomt. Bovendien ondergaan de beste zaailingen een natuurlijk selectieproces. 
Afhankelijk van de milieuomstandigheden verjongen een aantal soorten min of meer gemakkelijk in het Zoniënwoud, soms zeer plaatselijk (gewone esdoorn, haagbeuk, boskers, berk, wilg, linde...). De natuurlijke verjonging van deze soorten biedt bosbouwers de gelegenheid het bos te verjongen en om te vormen in overeenstemming met de beheerdoelstellingen in het beheerplan.  Dat plan wil de natuurlijke verjonging bevorderen daar waar ze spontaan optreedt en ze aanvullen met planten uit kwekerijen waar ze ontoereikend is of geen toekomst heeft (bv. door gebrek aan licht).
De beuk neemt een groot deel van de verjonging voor zijn rekening. Die vaststelling strookt met het feit dat jonge beuken goed bestand zijn tegen schaduw en dat het bladerdak van oudere beuken vrij dicht is. Natuurlijke verjonging van de beuk in het Zoniënwoud was zeer moeilijk te bewerkstelligen tot in 2005, toen de eerste zaailingen verschenen, zich ontwikkelden en ook nog eens levensvatbaar bleken. Sindsdien zijn er bijna om de twee jaar goede zaadzettingen.
De volgende grafieken geven een beeld van de verjonging in de homogene of gemengde beukenbossen volgens de inventaris van 2020. De verjonging wordt beoordeeld in % bedekking. 

Afbeelding 21.11 Verjonging in de beukenbossen (bemonsterde oppervlakte 992 ha)

Bron: Samenvatting 2020 van de bosinventaris van het Brusselse Zoniënwoud – Unité de gestion des ressources forestières et des milieux naturels (FUSAGX-ULg, 2020)
 

Zaailingen zijn planten van minder dan 30 cm hoog, gevestigde zaailingen zijn planten tussen 30 en 150 cm hoog, struwelen zijn planten tussen 150 en 300 cm hoog. Jongwas-staakhout zijn stammen van meer dan 3 m hoog en minder dan 40 cm dik.

De verjonging van de eik - een soort die in haar beginstadium een licht gebladerte nodig heeft - is kwantitatief zeer beperkt, wat de aanplant van deze soort rechtvaardigt.

Beheer gericht op het verhogen van de hoeveelheid dood hout

De aanwezigheid van dood hout, in alle stadia van ontbinding, draagt bij tot de biodiversiteit van het bos.  Staand of liggend dood hout is belangrijk voor een groot aantal soorten, als schuilplaats of als voedselbron: vleermuizen en holtebewonende vogels, kleine zoogdieren, amfibieën en reptielen, houtetende insecten, korstmossen, mossen, zwammen, enz.
Dood hout houdt ook het bodemvocht vast, stimuleert het bodemleven en draagt door zijn langzame ontbinding bij tot de vorming van humus en dus tot de vruchtbaarheid van het bos. 
Vanuit landschappelijk oogpunt dragen de aanwezigheid van dood hout en het leven dat daarmee gepaard gaat, bij tot het creëren van een bossfeer.
De verhoging van de hoeveelheid dood hout op alle standplaatsen en in verschillende vormen is een belangrijke doelstelling van het beheerplan van het Zoniënwoud. Bepaalde zones van het woud, die meer specifiek gewijd zijn aan de vorming van een ecologisch netwerk in het woudmassief, onderscheiden zich door het behoud van een maximaal aantal dikke bomen en staand of liggend dood hout.
Op basis van de meetcampagnes in het kader van de bosinventaris (gegevens voor 2020) en met het beukenbos als referentie wordt het gemiddelde volume dood hout geraamd op ongeveer 21 m3/ha, d.w.z. ongeveer 6% van het totale staande volume (het minimale streefcijfer in het beheerplan is 5% of 8% voor bepaalde habitattypes).  
In 2013 werd dat volume op basis van de gegevens van de inventaris geraamd op 14 m3/ha.  Hoewel deze resultaten met de nodige omzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd, gezien de onnauwkeurigheidsmarge, stroken deze gegevens, die op een toename van de hoeveelheid dood hout wijzen, met de waarnemingen van de beheerders en deskundigen op het terrein. Indien deze positieve ontwikkeling wordt bevestigd, moet ze in verband worden gebracht met bepaalde wijzigingen in het bosbeheer die de laatste jaren zijn ingevoerd of versterkt (zie de factsheet over de bosinventaris).

Follow-up van de gezondheidstoestand van de bestanden

Net als andere wouden overal ter wereld is het Zoniënwoud het slachtoffer van wat wetenschappers ‘bossterfte’ noemen en waarvan de oorzaken velerlei zijn. Naast de follow-up van de vormgebreken en beschadigingen aan de bomen (wild, ruimingswerken) die in de bosinventarissen worden vastgesteld, is in 2009 een aanvullende gezondheidsmonitoring van de beuken- en eikenbestanden opgezet.  Deze heeft betrekking op parameters zoals ontbladering, verkleuring, kruinstructuur en insectenschade.
De jaarlijkse herhaling van de waarnemingscampagnes moet zicht geven op de evolutie in de loop der jaren. Vandaag lijkt de situatie stabiel, maar om verergering te voorkomen, moeten maatregelen worden genomen om enerzijds de bodemverdichting te beperken en anderzijds te garanderen dat standplaatsgeschikte boomsoorten worden aangeplant bij de verjonging van het bos. Volgens Herbauts (1995) kan verdichting namelijk de hydrische stress of nutriëntentekorten verergeren. Het is ook van essentieel belang dat deze monitoring wordt voortgezet, aangezien de situatie snel kan veranderen. 
Meer informatie over dit onderwerp is beschikbaar in de focus over de gezondheidstoestand van de beuken en eiken in het Zoniënwoud

Positieve punten voor de biodiversiteit 

In termen van biodiversiteit heeft het boserfgoed van het Brusselse Zoniënwoud talrijke troeven.  Het massief telt een groot aantal beuken met een grote diameter die van grote ecologische waarde zijn voor vele soorten. Volgens de bosbeheerders telt het Brusselse Zoniënwoud meer dan vijf dikke bomen met een diameter van meer dan 80 cm per hectare, wat uitzonderlijk is voor een beheerd bos. Er is ook een aanzienlijke hoeveelheid staande afgetakelde en dode bomen en liggend dik dood hout. Sinds 2005 vindt natuurlijke beukverjonging plaats in de oude beukenbestanden. De esdoorn, de es, de haagbeuk, de boskers en de berk verjongen ook goed op natuurlijke wijze. 
Bovendien vormt het Zoniënmassief vanwege zijn continuïteit in tijd en ruimte (5.000 ha onder bos gebleven) een oud bos en kan het worden beschouwd als een bewaarplaats voor de biodiversiteit van oude bossen. Dit resulteert in een rijke biodiversiteit, met name wat betreft soorten en habitats van communautair belang (Natura 2000). 

... maar ook zwakke punten die het bosbeheer moet tegengaan

Het boserfgoed van het Zoniënwoud vertoont ook zwakke punten, die met name verband houden met de dominantie van gelijkjarige bestanden van hoofdzakelijk één enkele boomsoort (beuk), met een oververtegenwoordiging van de oudste leeftijdsklassen en een ondervertegenwoordiging van de jongste, wat de duurzaamheid van het woud in het gedrang brengt. Deze overheersing van de beuk resulteert in een weinig gestructureerd bos dat wordt gedomineerd door één enkele soort en één enkele laag. Dit is des te problematischer omdat volgens meerdere studies (zie links hieronder) de verwachte toename van de frequentie en de intensiteit van droge periodes in het voorjaar en van hittegolven in de zomer als gevolg van de klimaatverandering het voortbestaan van de beukenbossen in het Zoniënwoud op lange termijn in het gedrang kan brengen.  Beukenaanplantingen zijn ook zeer gevoelig voor het risico op windval, met name door de frequente aanwezigheid van een ondiepe, verharde bodemhorizont (fragipan), de ouderdom, de bereikte hoogten en het structuurverlies van bepaalde bestanden na de stormen van 1990. Bovendien worden de oude eikenbossen gedomineerd door de zomereik die, net als de beuk, waarschijnlijk ook sterk zal worden getroffen door de voorspelde klimaatveranderingen. De wintereik, die beter bestand is tegen de huidige klimaatveranderingen, vormt over het algemeen een zeer kleine minderheid.  Onder de huidige omstandigheden is het massief dus niet erg goed bestand tegen verstoringen van het milieu en met name tegen de verwachte klimaatverandering. 
Het nieuwe gewestelijke beheerplan van het Zoniënwoud, dat in 2019 is goedgekeurd, wil met name het weerstandsvermogen van het massief vergroten dankzij onder meer een grotere diversificatie van de soorten, de geleidelijke invoering van een meer gelaagde en minder dichte structuur en de verjonging van de bestanden (zie factsheet 22. Houtkap, aanwas en verjonging in het Brusselse Zoniënwoud). In dit verband zou een groot deel van de bestanden die als gelijkjarig monospecifiek hooghout worden beheerd, geleidelijk moeten evolueren naar ongelijkjarig hooghout met een mengeling van soorten van verschillende leeftijden. De natuurlijke verjonging die momenteel wordt waargenomen voor de beuk en andere soorten is een kans in het kader van deze overgang.

Datum van de update: 23/04/2021
Documenten: 

Factsheets 

Carnet « Grondgebruik en landschappen in Brussel» 

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

Studies en rapporten

Plannen en programma’s