U bent hier

Biodiversiteit: dagvlinders

Focus - Actualisering : december 2009

Ondanks zijn stedelijk karakter kan het Brussels gewest bogen op een zeer rijke flora en fauna. Meer dan 14% van zijn grondgebied is ingekleurd als “Speciale Beschermingszone” in het kader van het Europese netwerk Natura 2000. Deze gebieden herbergen natuurlijke habitats en diersoorten die bijzonder zeldzaam zijn op Europese schaal: enkele soorten vleermuizen (mopsvleermuis, vale vleermuis, …), het vliegend hert (het grootste insect van Europa), bepaalde boshabitats (zoals alluviale elzen- en essenbosjes), …
De biodiversiteit steunt op een kwetsbaar ecologisch evenwicht en staat onder sterke druk op verschillende vlakken. In het Brussels gewest is dit vooral het gevolg van de voortschrijdende verstedelijking die ten koste gaat van de vaak rijke groene ruimten (braakland, halfnatuurlijke ruimten), de recreatieve druk en de aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten (zie fiche Invasieve uitheemse soorten).
Voor het beheer van dit natuurlijk patrimonium steunt Leefmilieu Brussel o.a. op de gegevens verzameld in het kader van thematische studies die gevoerd worden met het oog op een wetenschappelijke en systematische follow-up van de fauna, de flora en de lokale ecosystemen. Zo werd een inventaris van dagvlinders opgesteld in de periode 2006-2008. De database telt ruim 6 600 observaties in de periode 1830-2008, en is gebaseerd op terreinobservaties (71%), verzamelingen van particulieren en musea (21%) en de wetenschappelijke literatuur (8%). De participatie van het publiek in het verzamelen van observaties werd aangemoedigd, met name door de publicatie en de verspreiding van een identificatiegids van vlinders en de organisatie van telwandelingen en telweekends.
De database telt 69 soorten dagvlinders, voor 46 ervan staat vast dat ze zich gedurende een lange periode hebben voortgeplant in het Brussels Gewest (standvlinders). Op basis van de observaties na 1997 zijn naar schatting 18 (39%) van deze 46 soorten uitgestorven in het Gewest, en zijn er 8 (17%) zeer zeldzaam geworden.

Verdeling van 46 soorten standdagvlinders volgens zeldzaamheidsklasse – Brussels gewest (periode 1997-2008)

Bron : Leefmilieu Brussel, dpt. Biodiversiteit

Het Gewest telt op dit moment 28 standvlinders, waaronder het ica- rusblauwtje, de citroenvlinder, het landkaartje, het groot koolwitje, de koninginnenpage, de kleine vos en de dagpauwoog. Drie soorten zijn ingedeeld bij de bedreigde soorten (de grote weerschijnvlinder, de sleedoornpage en het groentje). 
Vroeger waren 5 gemeenten (Ukkel, Watermaal-Bosvoorde, Oudergem, Brussel-Stad en Anderlecht) elk een thuishaven van meer dan 25 soorten standvlinders. Alleen de gemeente Ukkel kan zich vandaag nog op een dergelijke soortenrijkdom beroepen.
In vergelijking met andere taxonomische groepen, lijken de dagvlinderpopulaties biezonder sterk te hebben geleden onder de wijziging van de biotopen door de grootschalige verstedelijking van het Gewest in de voorbije decennia (zeldzaam worden van open milieus en waterrijke gebieden, versnippering, …). Bepaalde groepen die zich thuis voelen in de waterrijke gebieden, zoals amfibieën en waterjuffers, zijn ten andere eveneens sterk bedreigd

Evolutie per gemeente van de soortenrijkdom aan dagvlinders (vergelijking van de waarnemingen in de periodes 1830-1996 en 1997-2008)

Bron : Leefmilieu Brussel, dpt. Biodiversiteit

* De ogenschijnlijke toename van soorten zou het gevolg kunnen zijn van een vertekening t.g.v. onvoldoende waarnemingen tijdens de periode 1830-1996

(Toegang tot de interactieve kaart

INVENTARIS VAN DE BRUSSELSE AVIFAUNA

Aan de hand van een recente inventaris van de Brusselse avifauna konden trends voor de periode 1992-2008 worden vastgesteld voor 38 gewone vogelsoorten. Van deze soorten zijn er 14 die in aantal toenemen, 15 die erop achteruitgaan en 9 die stabiel zijn op schaal van het Gewest (Weiserbs, 2008). Meer in het algemeen wijst de evolutie van de Brusselse avifauna in haar geheel op een zeldzaam worden, of zelfs verdwijnen, van kwetsbare soorten die verbonden zijn aan bepaalde habitats (met name van soorten die gedijen in bossen en halfopen milieus), terwijl de soorten die erop vooruitgaan in het algemeen weinig veeleisende opportunisten zijn. De uitbreiding van de niet-inheemse soorten is eveneens overduidelijk, op het vlak van zowel het aantal soorten als het aantal dieren van elke soort. Positief is evenwel dat bepaalde soorten waarvoor beschermingsmaatregelen werden opgezet (slechtvalk, boerenzwaluw, …), erop vooruit zijn gegaan.

Datum van de update: 23/10/2020