U bent hier

Gezondheidstoestand van de beuken en eiken in het Zoniënwoud

Actualisatie : februari 2020

In het Brusselse Zoniënwoud worden sinds 2009 jaarlijks campagnes gevoerd om de vitaliteit van de inheemse beuken en eiken te controleren. Een groot gedeelte van de beuken vertoont symptomen van afsterven, terwijl de eik – en meer bepaald de wintereik – het beter lijkt te doen. Voor de jaren 2016, 2017 en 2018 vertoonde tussen bijna de helft en twee derde van de geobserveerde beuken een ontbladering van meer dan 25% (percentage waarboven de boom als beschadigd wordt beschouwd).

Een kwetsbaar woud

Het Zoniënwoud beslaat bijna 10% van het Brussels grondgebied en vertegenwoordigt een natuurlijk, sociaal en cultureel erfgoed dat zeer belangrijk is voor het Brussels Gewest. Er zijn echter verscheidene factoren die het bos kwetsbaar maken: de bezoekersdruk, de aard van de bodem (vrij droge grond op een deel van de hellingen, verdichting van de bodem aan de oppervlakte, vrij ondiepe verharde bodemhorizon op verschillende plaatsen, …), overwicht van vaak verouderde beukenpopulaties, onevenwichtige structuur van de bestanden wat ouderdom betreft, luchtvervuiling, enz. De klimaatwijzigingen die zich naar verwachting in de komende decennia zullen voordoen, kunnen bovendien de werking van de ecosystemen gevoelig aantasten, bijvoorbeeld op het vlak van de aangroei van de bospopulatie of de ontwikkeling van gewasvernielende populaties. In dat verband werd een verkennend onderzoek uitgevoerd op aanvraag van Leefmilieu Brussel (Daise et al, 2009). Dit onderzoek wees uit dat, in het Zoniënwoud, de beuk en in mindere mate de zomereik het risico lopen om sterk getroffen te worden in het geval er zich een klimaatwijziging voltrekt volgens het middelste scenario van de door het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) ontwikkelde instrumenten (zie Synthese 2007-2008, fiche “Zoniënwoud en risico‘s verbonden aan de klimaatwijziging ”). In een recenter verleden kwam een analyse van de impact van klimaatvariabelen op de groei van de beuken (jaarringenstudie van in het bijzonder in het Zoniënwoud gelokaliseerde bomen) eveneens tot het besluit dat de tegen het einde van de 21ste eeuw op gewestelijk niveau verwachte klimaatverandering het voorbestaan op lange termijn van de beukenbossen zou kunnen bedreigen (Latte N, Claessens H. 2015, zie Focus 'Klimaatverandering en groei van de beuken in het Zoniënwoud' ). 
Meer in het algemeen worden de laatste dertig jaren zowat overal in Europa tekenen waargenomen van meer of minder uitgesproken bossterfte waarvan de oorzaken slecht geïdentificeerd zijn.

Jaarlijkse follow-up van de gezondheidstoestand van de inheemse beuken en eiken 

Het Brussels Gewest heeft een permanent systeem opgezet voor de opvolging van de gezondheidstoestand van de drie belangrijkste boomsoorten van het Zoniënwoud. Het gaat om de beuk (Fagus sylvatica) en de inheemse eiken (wintereik of Quercus petraea en zomereik of Quercus robur). Die boomsoorten bestrijken 78% van het Brussels woud, in zuivere of gemengde bestanden. De methode – die wordt uitgevoerd volgens een wetenschappelijk protocol dat op Europees niveau op punt werd gesteld – is gebaseerd op de visuele waarneming in de zomer van bomen die in “proefpercelen” staan (perceel van 400 m x 400 m). Het aantal en de verdeling van de bomen in het bosmassief is zo gekozen dat ze een representatieve steekproef vormen. De waarneming heeft betrekking op bomen die voldoende groot zijn (volgens diameter) en ook voldoende hoog (kruin die het licht kan opvangen) en houdt rekening met verschillende criteria zoals ontbladering, ontkleuring, vruchtvorming of schade en symptomen die ons in staat stellen om de vitaliteit van de bomen te beoordelen. Sinds 2009 worden in het Brussels Gewest waarnemingscampagnes gevoerd.

Behalve in jaren van overvloedige vruchtvorming lijkt de gemiddelde ontbladering van de beuken relatief constant te zijn

Ontbladering – gedefinieerd als het verlies van bladeren in het bovenste deel van de kruin in vergelijking met een gezonde boom – is een integrerend criterium dat de invloed weerspiegelt van onder meer het klimaat, de bodemkwaliteit, aanvallen van parasieten of de leeftijd van de boom. 

In 2018 bedroeg de gemiddelde ontbladering 31% voor de beuk, 26% voor de zomereik en 21% voor de wintereik. 

Evolutie van de gemiddelde ontbladering van alle beuken en eiken die zijn opgenomen in de monitoring (2009-2018) 

Bron : Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2019
 


Net als in 2009, 2016 en in mindere mate in 2011 werd het jaar 2018 gekenmerkt door een bijzonder hoge gemiddelde ontbladering van de beuken. Deze vaststelling kan ten minste gedeeltelijk worden verklaard door de overvloedige vruchtvorming die in deze jaren werd waargenomen en waarbij een groot gedeelte van de reserves van de boom voor de productie van beukennootjes wordt gebruikt, ten koste van de ontwikkeling van de bladeren.  De gedetailleerde analyse van de resultaten toonde aan dat, ondanks de ernstige droogte van 2018 en de gematigde droogte van de voorgaande jaren, in 2018 geen abnormale achteruitgang van de beuken werd vastgesteld. Hun situatie was immers redelijk vergelijkbaar met die van 2016, ook gekenmerkt door een sterke vruchtvorming. In 2017 was de vruchtvorming zeer beperkt en was de gemiddelde ontbladering identiek aan die van 2015 (27%).  
De jaren van overvloedige vruchtvorming van de beuken (2009, 2011, 2016 en 2018) buiten beschouwing gelaten, lijkt de gemiddelde ontbladering van de beuken – tussen 22% en 27% – relatief constant, rekening houdend met de foutmarges die aanzienlijk kunnen zijn. De visuele evaluatie van de ontbladering vertoont immers bepaalde tekortkomingen (deels subjectiviteit bij de evaluatie, ook al worden er sessies voor opleiding en onderlinge kalibratie van de waarnemers georganiseerd, soms beperkte zichtbaarheid van de toppen die evolueert in de tijd, met name als gevolg van mogelijke kap binnen percelen, …), waardoor de resultaten voorzichtig geïnterpreteerd moeten worden. Bovendien geeft de evaluatie dan wel een algemeen beeld van het verlies aan vitaliteit van de boom, maar volstaat de intensiteit van de ontbladering niet om een volledige diagnose van de gezondheidstoestand van de bomen te stellen. De verminderde bladbiomassa kan overigens een tijdelijk reguleringsmechanisme van de boom zijn om met de stress die hij te verwerken krijgt om te gaan. Daarom wordt bij de gezondheidsmonitoring ook rekening gehouden met andere criteria die de vitaliteit van de bomen weerspiegelen (zie verder). 
Voor de zomereiken stellen we daarentegen een aanzienlijke stijging van de gemiddelde ontbladering vast in 2018. Dit zou in verband kunnen worden gebracht met de droogte die dat jaar werd waargenomen, met de droogte van de voorgaande jaren en/of met uitputting als gevolg van een opeenvolging van perioden van intensieve vruchtvorming.  Voor de wintereiken, waarvoor het aantal waarnemingen beperkt is, is de evolutie niet significant. 

In 2018 vertoonde 63% van de beuken een aanzienlijke ontbladering

Een ontbladering van meer dan 25% is een courant gebruikte indicator, ook op Europees niveau, voor de kwantificering van de intensiteit van het afsterven: een boom met een ontbladering van meer dan 25% wordt als beschadigd beschouwd. 
De analyse van de gezondheidstoestand van de bomen was in 2018 gebaseerd op een steekproef van 128 bomen (85 beuken, 33 zomereiken en 10 wintereiken). 63% van de beuken, 39% van de zomereiken en 40% van de wintereiken vertoonden een ontbladering van meer dan 25%.
 

Voor de jaren 2014 tot en met 2018 (jaren waarvoor deze gegevens beschikbaar zijn) is het percentage bomen met een ontbladering van meer dan 25% aanzienlijk hoger voor beuken dan voor eiken.

Resultaten die moeilijk te interpreteren en te vergelijken zijn met die van de aangrenzende gewesten

Deze evolutie, over een nog beperkte tijdspanne, blijkt moeilijk te interpreteren aangezien er zoveel factoren zijn die de ontbladering van een boom kunnen beïnvloeden (bodemkwaliteit, individuele eigenschappen van de bomen, weersomstandigheden, vruchtvorming, stamomtrek, plaats ten opzichte van omliggende bomen, vorm van de takken in de top, ongedierte, …). Bovendien vertoont het protocol van de follow-up zelf bepaalde beperkingen (de bestudeerde bomen verschillen van jaar tot jaar, voor de wintereik is de steekproef beperkt, subjectiviteit verbonden aan de waarnemer, moeilijkheden bij het waarnemen van niet-gedomineerde bomen, enz.).
Deze waarnemingen zijn trouwens moeilijk te vergelijken met de gegevens die in de aangrenzende gewesten werden opgetekend, aangezien de beschreven populaties er anders zijn (leeftijd en densiteit van de populaties, bodemcondities, het (micro)klimaat, het reliëf, enz.) en de kwaliteit van de waarnemingen kan variëren naargelang het netwerk (“waarnemerseffect”).
Het is ook moeilijk om deze waarnemingen te vergelijken met die van de aangrenzende gewesten, aangezien de beschreven populaties verschillend zijn (leeftijd en dichtheid van de populaties, bodemomstandigheden, (micro)klimaat, reliëf, enz.) en de kwaliteit van de waarnemingen van netwerk tot netwerk kan verschillen (‘waarnemerseffect’). Aan de hand van de ontbladeringswaarden die in de naburige gewesten werden genoteerd, is het echter wel mogelijk om grootteordes te bepalen. 
De onderzoekers belast met de fytosanitaire opvolging hebben de evolutie van de gemiddelde ontbladering van alle bestudeerde bomen in het Zoniënwoud vergeleken met de evolutie van de bomen in het Waals Gewest (vooral in de Ardennen) en het Vlaams Gewest.

Vergelijkende evolutie van de gemiddelde ontbladering van de beuken en eiken in het Brusselse Zoniënwoud, in Wallonië en in Vlaanderen 

Bron : Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2019 (op basis van gegevens uit het Vlaamse Gewest: ”Sioen G., Verschelde P., Roskams P., 2019. Bosvitaliteitsinventaris 2018. Resultaten uit het bosvitaliteitsmeetnet (Level 1). Rapporten van het INBO 2019” et van gegevens uit het Waalse Gewest :  ”Titeux H. & Ponette Q.. 2019. Suivi de l’état sanitaire des peuplements du réseau I, intégré à l’Inventaire Permanent des Ressources Forestières de Wallonie : campagne 2018. UCL & Département
de l’Etude du milieu naturel et agricole du Service Public de Wallonie”).  
 

De gemiddelde ontbladering van de beuken in het Brusselse Zoniënwoud is ongeveer 10% lager dan in Wallonië en 10% hoger dan in Vlaanderen.  De curven volgen redelijk vergelijkbare evoluties in de drie gewesten.  Wat de eiken betreft, lijken de ontbladeringswaarden die de laatste jaren zijn waargenomen, relatief gelijklopend in Wallonië, Vlaanderen en het Brussels Gewest. De piek die in 2012 in Wallonië werd vastgesteld, houdt verband met een sterke aanval van parasitaire rupsen die de Ardennen trof, terwijl de vlakke gebieden gespaard bleven.
In 2018 vertoonde volgens de INBO-gegevens (2019) 25% van de beuken en 23% van de zomereiken in het Vlaams Gewest een ontbladering van meer dan 25%, wat aanzienlijk minder is dan in het Brussels Gewest.  Sinds 1996 monitort ook het Vlaams Gewest de groei en de vitaliteit van de beuk in het Zoniënwoud. Afhankelijk van de proefpercelen en de jaren schommelt het ontbladeringscijfer tussen 10 en 30%.  Voor twee van de drie proefsites stellen de onderzoekers geen significante tendens vast.  Op de derde site wordt sinds 2013 een lichte toename van de ontbladering waargenomen (Roskams P., Sioen G. 2017).
Op Europees niveau (30 landen) bedroeg de gemiddelde ontbladering in 2009 ongeveer 19% voor de beuken en 24% voor de eiken. In 2017 had 25% van de bomen, op Europese schaal, meer dan 25% ontbladering (INBO 2019). 

In de evaluatie van de gezondheidstoestand van de bomen spelen ook andere criteria mee

Een verslechtering van de kruinstructuur van bepaalde eiken vastgesteld tussen 2017 en 2018 
De kruin van een boom is het geheel van takken en bladeren van de eerste groene tak tot de laatste scheut van de boom. Zijn structuur varieert volgens het ontwikkelingsstadium dat de boom heeft bereikt en de stress die hij in de loop van de tijd heeft ondergaan. Het protocol dat wordt gebruikt om de levenskracht van boomkruinen te beoordelen, onderscheidt 4 verschillende klassen - die overeenkomen met min of meer dichte kruinvormen - voor de eik en 8 klassen voor de beuk (4 voor 2013).

Indeling van de zomereiken en de wintereiken naar kruinstructuur (2012-2018)

Bron : Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2018
 

Volgens de onderzoekers die belast zijn met de monitoring, werd tussen 2017 en 2018 een verslechtering van de kruinstructuur van de eiken waargenomen, waarbij voor het eerst sinds het begin van de monitoring bepaalde zomereiken een zeer hoge sterfte van de takken van de kruin en bepaalde wintereiken een aanzienlijke vereenvoudiging (minder takontwikkeling) vertoonden. Deze evolutie zou verband kunnen houden met de droogte van 2018 en de voorgaande jaren, alsook met de bijzonder intense vruchtvorming van de eiken in 2018. De verhouding van de klassen met ‘dichte vertakking’ blijft echter dominant voor beide soorten en benadert de waarden van de vorige jaren voor de zomereik. 

Verdeling van de beuken volgens de kruinstructuur (2013-2018) 

Bron : Earth and Life Institute Environmental Sciences (UCL), 2019
 

Door de invoering van nieuwe klassen voor beuken in 2013 worden de eerdere resultaten niet voorgesteld. De waarnemingen van 2018 worden vergeleken met de jaren 2014 en 2016 vanwege de tweejaarlijkse afwisseling van de bezochte percelen voor beuk. In vergelijking met 2014 is er een aanzienlijke daling van de minst gedegradeerde klassen (1 en 2) en een toename van de frequentie van de tussenklassen (3 en 4). De cumulatieve frequentie van de meest gedegradeerde klassen (5 tot 7) bedraagt echter slechts 11%.  Dit cijfer is stabiel sinds 2016, na een stijging ten opzichte van 2014.
Om een betere kijk te krijgen op de evolutie van de ontbladering en van de structuur van de kruin, waarvan de oorzaken nog onduidelijk zijn (afgevallen dode takken, verschil in interpretatie door de verschillende waarnemers, …), worden de boomkruinen (structuur en ontbladering) sinds de monitoringcampagne van 2014 ook fotografisch gevolgd. Het heeft met name de mogelijkheid geboden het verband tussen vruchtvorming en ontbladering te bevestigen.

Sinds 2014 is er geen ontkleuring van de bladeren meer waargenomen bij de gecontroleerde wintereiken  
De meest voorkomende oorzaken van de ontkleuring van de bladeren zijn een gebrek aan mineralen, luchtverontreiniging, aanvallen door parasieten of droge periodes in de zomer of in het voorjaar. Algemeen beschouwd lijken de eiken - en dan vooral de zomereiken - meer door ontkleuring aangetast dan de beuken.
In 2018 vertoonde geen enkele beuk tekenen van ontkleuring, terwijl in 2017 bijna 40% van de beuken ontkleuring vertoonde (waarschijnlijk als gevolg van een tekort door de sterke vruchtvorming in 2016). Tijdens de campagne van 2018 is er ook geen ontkleuring waargenomen bij de eiken. Merk op dat bij de gevolgde wintereiken de laatste vijf jaar geen enkele ontkleuring werd waargenomen.  Anders dan in de vorige jaren werd in 2016, 2017 en 2018 bij zowel de beuken als de eiken geen enkele aanval van ontbladerende insecten waargenomen.

Toekomstgericht bosbeheer

Het nieuwe gewestelijke plan voor het beheer van het Zoniënwoud is aangepast om rekening te houden met nieuwe elementen die het voorbije decennium naar voren zijn gekomen, waaronder de risico's van sterfte van bepaalde soorten (met name beuken en, in mindere mate, zomereik) als gevolg van de klimaatverandering. 
Voor de bestaande beukenpopulaties voorziet het plan onder meer de aanleg van meer en grotere open plekken, om de concurrentie tussen de bomen te verminderen en hun groei te versnellen, zodat men de exploitatieleeftijd en dus ook de risico's, in het bijzonder van stormschade (het vallen van bomen), kan beperken. Het beheer zou ook voorrang moeten geven aan de sterkste beuken, aangezien zij waarschijnlijk genetische eigenschappen bezitten die ze stressbestendiger maken, zodat hun afstammelingen erg nuttig zouden kunnen zijn. De doelstelling om de landschapsexpressie van de beukenkathedraal, die in het in 2003 goedkeurde beheerplan 50% van de oppervlakte van het Brusselse Zoniënwoud besloeg, in stand te houden, is neerwaarts herzien naar 20% van het woud.  Gelet op de landschapskwaliteiten van de kathedraalexpressie voorziet het nieuwe plan de ontwikkeling van eikenbossen met bomen van dezelfde leeftijd, die kathedralen zullen vormen op basis van jonge aanplantingen van zomer- en wintereik (9% van het woud).  Het beheer van de resterende oppervlakten zal gericht zijn op de geleidelijke invoering van een meer getrapte en minder dichte structuur met een mengeling van soorten. De soorten die de op het einde van de eeuw verwachte klimatologische omstandigheden het best zullen verdragen (wintereik, winterlinde), zullen voorrang krijgen. Diversificatie is trouwens goed voor de biodiversiteit en maakt de bosecosystemen beter opgewassen tegen verstoringen van het milieu, ziekten en stormwinden (weerstandsvermogen).
De aanzienlijke ontbladering van het beukenbos zet trouwens aan tot een meer gedetailleerde analyse van de bijdrage van de verschillende potentiële sterftefactoren:  bodemkenmerken, luchtverontreiniging, klimaatverandering of verandering van bosbouwkundige behandelingen en/of bosexploitatie (bodemverdichting, enz.). 

Datum van de update: 19/05/2020
Documenten: 

Tabellen met de gegevens 

Fiches van de Staat van het Leefmilieu

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

Studies en rapporten

Plannen en programma’s