U bent hier

PLAGE, balans van de tool

Focus - Actualisering : december 2015

Het PLAGE is een instrument dat dankzij een efficiënt beheer van het energieverbruik en aan lagere kosten erg afdoende milieuresultaten aflevert: duizenden tonnen uitgespaarde CO2, met ongeveer 16% verminderd brandstofverbruik en stabilisatie van het elektriciteitsverbruik. De besparingen worden becijferd op enkele miljoenen euro. Bovendien levert het PLAGE een aantal banen op (energieverantwoordelijke), die vaak een langer leven beschoren zijn dan de duur van het programma.

In de Staat van het leefmilieu 2007-2008 werd er een tussentijdse balans van het PLAGE-instrument voorgesteld. 5 jaar later zijn er tal van PLAGE’s voltooid, met overtuigende resultaten: tijd dus om de vooruitgang die in deze nieuwe Staat van het leefmilieu werd geboekt te benutten.

Doel? Het energieverbruik terugschroeven

Het PLAGE-programma (Plan voor Lokale Actie voor het Gebruik van Energie), dat loopt sinds 2005, beoogt een proactief beheer van het energieverbruik. Eerst en vooral maakt het een energiekadaster op van het gebouwenpark, dat dient om de prioritaire gebouwen te bepalen (i.e. de meest energievretende gebouwen of gebouwen met het hoogste potentieel aan energiebesparingen op korte termijn) en vervolgens een actieplan op te stellen. Bij de doorvoering van dit plan hoort een follow-up van de evolutie van het energieverbruik (ook “energieboekhouding” genoemd). Het actieplan bestrijkt een periode van 3 tot 4 jaar en kan na afloop worden verlengd met de definitie van nieuwe doelstellingen (bijv. uitbreiding naar andere gebouwen, zwaardere ingrepen in de installaties en de gebouwschil).

De aanpak van het PLAGE
Bron: Leefmilieu Brussel, dpt. Duurzame gebouwen – begeleiding van de professionnelen, 2014

De aanpak van het PLAGE

Het PLAGE mikt op “grote” publieke en private energieverbruikers. “Groot” omdat de oppervlakte van het gebouw(enpark) dat ze betrekken of bezitten aanzienlijk is. Ze behoren tot de tertiaire sector (gemeenten, ziekenhuizen, scholen, ...), maar ook tot eraan gelijkgestelde sectoren (zoals collectieve huisvesting of onthaalinstellingen).

Van een vrijwillige insteek naar een reglementaire verplichting

Bij aanvang was het PLAGE sturend en vrijwillig van insteek. Zo waren er tussen 2005 en 2014 verschillende projectoproepen die vier types van eigenaars-bestuurders golden: gemeenten, ziekenhuizen, onderwijsnetwerken en openbare vastgoedmaatschappijen (OVM’s).

Bogend op de grote bijval werd het PLAGE in het Brussels wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing (BWLKE) vanaf 2015 verplicht gemaakt voor:

  • private beheerders of eigenaars van onroerend erfgoed van meer dan 100 000 m².
  • de overheid (federale, gewestelijke en gemeenschapsinstanties, Europese Unie) die een gebouw(enpark) met een oppervlakte van meer dan 50 000 m² bezitten of betrekken.

Het verplichte PLAGE zet enkele bepalingen om van richtlijn 2012/27 met betrekking tot energie-efficiëntie. Het bestreken onroerend erfgoed vertegenwoordigt een totale oppervlakte die wordt geraamd op 15 miljoen m2, hetzij een beetje minder dan een tiende van de gewestelijke oppervlakte (Leefmilieu Brussel, dpt. Duurzame gebouwen - begeleiding van de professionelen, 2015): een gigantisch groot potentieel dus ten opzichte van de reeds geïmplementeerde proefprojecten (zie hieronder).

Het toekomstige lucht-klimaat-energieplan, dat men aan het goedkeuren is, wil de drempel voor het opleggen van het verplichte PLAGE voor overheidsinstanties verlagen.

Gezien de gehaalde resultaten en de specifieke kenmerken van de verschillende sectoren die het PLAGE-programma konden genieten, zal het vrijwillige OVM-PLAGE worden verlengd.

Voorstelling van de PLAGE-proefprojecten

De PLAGE-proefprojecten werden uitgevoerd in 434 gebouwen met in totaal een oppervlakte van om en bij de 2,4 miljoen m2. Er werden 34 energieverantwoordelijke aangeworven.

Voorstelling van de PLAGE-proefprojecten

De projectoproepen vertoonden enkele bijzonderheden:

  • Voor de gemeenten, een erg heterocliet onroerend erfgoed: administratieve gebouwen, sportcentra/zwembaden, scholen, opslagplaatsen, bibliotheken, collectieve huisvesting, ...
  • In de scholen, lange periodes waarin de lokalen niet worden gebruikt (schoolvakanties) en een bijzonder hoog brandstofverbruik (nagenoeg 90% van de energierekening).
  • In de ziekenhuizen, een bijzonder energiebeheer, rekening houdend met de toename van gesofisticeerde technische apparatuur en met de stijgende bezoekersaantallen.
  • In collectieve woningen, de complexiteit van de energieboekhouding per gebouw, ermee rekening houdend dat de gezamenlijke stookplaatsen voor meerdere gebouwen dienen.

Overtuigende resultaten op energie- en op financieel vlak

Een van de grote voordelen van dit instrument is het snel verkrijgen van resultaten (energie- en dus financiële besparingen), voor een doorgaans positieve financiële nettowinst: de uitgespaarde uitgave neemt tijdens het PLAGE alleen maar toe en de terugwintijd wordt gemiddeld in minder dan 5 jaar bereikt (Leefmilieu Brussel, mei 2013). Nogmaals, de PLAGE’s beogen prioritaire gebouwen, waar de manoeuvreerruimte in termen van energie- en financiële besparingen potentieel groot is.

Alle PLAGE-proefprojecten samen leverden volgende resultaten op (Leefmilieu Brussel, 2015):

  • een vermindering van ongeveer 15% van het brandstofverbruik, zonder comfortverlies voor de gebruikers (zie onderstaande figuur);
  • ongeveer 10.000 ton CO2-uitstoot die jaarlijks wordt uitgespaard;
  • een stabilisatie van het elektriciteitsverbruik (dat zonder PLAGE jaarlijks met 2% zou zijn gestegen);
  • besparingen op de energiefactuur die worden geraamd op 4,25 miljoen euro per jaar;
  • na de aanvankelijke periode van 3 tot 4 jaar verbeterden de deelnemende organisaties bovendien verder het beheer van hun energieverbruik (tot 30% energiebesparingen ten opzichte van de aanvankelijke situatie) en nóg meer wanneer er een energieverantwoordelijke was.

Evolutie van de genormaliseerde verbruiken van brandstoffen voor de pilootprojecten PLAGE
Bron: Leefmilieu Brussel, dpt. Duurzame gebouwen – begeleiding van de professionnelen, 2015
OVM = Openbare Vastgoedmaatschappijen

* In het geval van de gemeenten gelden de cijfers voor de fase 2. De evolutie voor de fase 1 was om en bij de 16%.

Evolutie van de genormaliseerde verbruiken van brandstoffen voor de pilootprojecten PLAGE

Toch gaat het verminderde energieverbruik niet automatisch gepaard met een daling van de energiefactuur, omwille van de stijgende energieprijzen. Zo zorgden de PLAGE’s bij gemeenten en ziekenhuizen niet voor een lagere energiefactuur, maar konden ze deze wel onder controle houden. Het PLAGE biedt overigens de kans om rechtstreeks iets voordeligs voor de energiefactuur te doen (zoals het bedingen van de energieleveringsovereenkomst), maar zonder gevolgen voor het leefmilieu.

Voor een gedetailleerde balans van de energieresultaten en de financiële winst per PLAGE, eventueel per deelnemende organisatie, kan men terecht in de hieronder opgegeven infofiches.

Succesfactoren

De succesfactoren van het PLAGE-instrument zou men als volgt kunnen samenvatten:

  • Inzetten op een nauwe samenwerking tussen alle spelers, of het nu gaat over de energieleveranciers, de professionals die de installaties beheren, de leidende teams of zelfs de gebruikers. In verband hiermee haalden de deelnemers de rol (en de competentie) van de energieverantwoordelijke meermaals aan als essentieel voor het welslagen van het project. Hij staat immers in voor de coördinatie en de follow-up. De bewustmaking van de verschillende spelers zorgt voor actieve betrokkenheid bij het project, maar ook voor een aangepast gedrag.
  • Zich baseren op becijferde follow-upfactoren die iets vertellen over de inspanningen en besparingen die (zowel op energie- als op financieel vlak) werden gerealiseerd. De energieboekhouding blijkt voor de spelers een reële motiverende factor te zijn om hun inspanningen voort te zetten.
  • Zich concentreren op de prioritaire gebouwen, namelijk de meest energievretende gebouwen.
  • In eerste instantie voorrang geven aan eenvoudige acties en aan werkzaamheden met een snelle terugwintijd.
  • In tweede instantie, door de besparingen die werden gemaakt, financiële middelen vrijmaken, die dan kunnen dienen om de zwaardere investeringen in energiewinst te betalen of zelfs opnieuw in andere posten kunnen worden geïnjecteerd (zoals de aankoop van didactisch materiaal in scholen).
  • Winst voor het leefmilieu en economische rentabiliteit aan elkaar koppelen.

Een van de mooiste successen is ontegensprekelijk de dynamiek die vaak (net zoals de betrekking van energieverantwoordelijke) na de periode van de projectoproep verder loopt.

Winstgevende energiebesparende ingrepen

Een van de hoofdacties, heel eenvoudig en met onmiddellijke opbrengst, is de regeling van de verwarming. Uit de stand van zaken kwam immers naar voren dat de meeste gebouwen die een PLAGE volgen te veel verwarmd of onnodig verwarmd worden (bijvoorbeeld in de fases zonder gebruik, zoals de schoolvakanties voor de scholen). Door de richttemperaturen voor lucht of voor tapwater lager in te stellen of bepaalde installaties zelfs stil te leggen kan men het verbruik direct terugschroeven. Natuurlijk biedt de automatisering van de regelmogelijkheden een interessante meerwaarde.

Andere eenvoudig uit te voeren actie: het onderhoud van de installaties (met name verwarmingsinstallaties). Een technische follow-up en een follow-up van de facturen, alsook van de hogere eisen in de onderhoudscontracten laten toe anomalieën op te sporen en zorgen voor een optimale werking van de uitrusting.

Het is eveneens mogelijk om de efficiëntie van verwarmingssystemen op te drijven door warmte-isolatie van de leidingen, warmtereflectoren achter de radiatoren te plaatsen of verouderde ketels te vervangen.

Hoewel het enkele financiële middelen vergt, is isolatie uiteraard een essentiële post, of het nu gaat over het verhogen van de luchtdichtheid door het dichten van lekken, dan wel over het aanbrengen van dak-, plafond- of muurisolatie.

Datum van de update: 22/10/2020