U bent hier

Energie-intensiteit van de huisvesting

Actualisering : februari 2020

Een huishouden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verbruikt gemiddeld 13.800 kWh/jaar (2017).
 De Energie-intensiteit van de huisvesting (bij een constant klimaat) bereikte een maximum in 1999. Een daling met 36% werd vervolgens vastgesteld tussen 1999 en 2015. Dit wordt hoofdzakelijk uitgelegd door een minder grote behoefte aan verwarming. Tot 2005 werd daarentegen een belangrijke stijging waargenomen in het elektriciteitsverbruik van de huishoudens, sindsdien zette zich ook een daling in.

Wat is energie-intensiteit in de huisvestingssector?

De energie-intensiteit van een activiteitensector is de verhouding tussen de hoeveelheid door die sector verbruikte energie en een representatieve variabele. Een hogere energie-intensiteit komt dus overeen met:

  • ofwel een hoger energieverbruik voor een zelfde niveau van de in aanmerking genomen variabele,
  • ofwel een beperking van de gebruikte representatieve variabele (daling van de waarde van de noemer in de berekende verhouding, wanneer het energieverbruik -of teller- constant blijft),
  • ofwel een combinatie van beide.

In de huisvestingssector komt de verbruikseenheid overeen met één huishouden. De energie-intensiteit van de huisvesting wordt dus bepaald in verhouding tot het aantal gezinnen en kan geraamd worden op basis van het totaal eindverbruik van de huisvestingssector (vervoer niet inbegrepen). Daarvan wordt een schatting gemaakt, met of zonder klimaatcorrectie, in het kader van de gewestelijke energiebalansen. Ter herinnering: de klimaatcorrectie is erop gericht om voor het jaar in kwestie de invloed van de temperatuur eruit te lichten en dus een idee te geven van de evolutie van het energieverbruik bij constant klimaat. Het referentiejaar is in dit geval 1990.

Er werd een belangrijke herziening van de methodologie voor de uitwerking van de Brusselse energiebalans gerealiseerd. Dat zal een invloed hebben op het resultaat van deze indicator vanaf de gegevens over het jaar 2014 en de erop volgende jaren. 

Een dalende energie-intensiteit van de huisvesting

Evolutie van de energie-intensiteit van de huisvesting in het Brussels Gewest, met en zonder klimaatcorrectie van het energieverbruik

Bron : Gewestelijke energiebalansen en BISA volgens de gegevens van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, berekeningen van Leefmilieu Brussel 
De “klimaatcorrectie” van het energieverbruik dient om de invloed van het klimaat (GD 15/15) op het verbruik aan het licht te brengen en dus een idee te geven van het verbruik bij een ongewijzigd gebleven klimaat (hier in vergelijking met het klimaat 1990).

In 2017 bedroeg het energieverbruik van de huisvestingssector in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gemiddeld 13.800 kWh per gezin. Het aantal gezinnen stijgt ook jaarlijks.

Het verbruik, en dus de energie-intensiteit van de gezinnen wordt duidelijk beïnvloed door de klimaatomstandigheden van het betrokken jaar (dit blijkt uit de verschillen tussen de twee krommen op de grafiek). 

De energie-intensiteit per gezin met klimaatcorrectie bereikte haar maximum in 1999 en toont sindsdien een dalende trend, een trend die vanaf 2006 meer uitgesproken is. De energie-intensiteit daalde met 36% tussen 1999 en 2017.

Een duidelijke daling in brandstofverbruik voor verwarming

Evolutie van de energie-intensiteit van de huisvesting (waarbij jaar 1990 = 100) in het Brussels Gewest, in functie van de energiedrager 

Bron : Gewestelijke energiebalansen en BISA volgens de gegevens van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, berekeningen van Leefmilieu Brussel 

De globale trend kan worden verduidelijkt door de evolutie van de intensiteit per energiedrager te analyseren: de daling van de totale intensiteit voor deze sector is toe te schrijven aan een duidelijke daling van de brandstofbehoefte voor verwarming per gezin. Daarentegen wordt voor het elektriciteitsverbruik een sterke stijging waargenomen tot in 2005, sindsdien gevolgd door een daling die minder uitgesproken is dan deze voor de brandstoffen.


Verklarende factoren voor deze ontwikkelingen

Er zijn meerdere factoren die deze dalende evolutie kunnen verklaren:

  • de stijging van de energieprijzen, zeer waarschijnlijk aan de basis van energiebesparend gedrag gelet op de socio-economische kenmerken van de Brusselse bevolking (met het laagste gemiddelde inkomen van de 3 Belgische Gewesten, en ongelijker verdeeld, waarbij ook het mediaaninkomen lager ligt) (volgens de fiscale gegevens van Statbel, waarnaar het BISA verwijst); 
  • de verbetering op energievlak van het gebouwenpark (met o.a. isolatie van de gebouwen of nieuwe constructies die op dit vlak beter presteren). Het Brusselse gebouwenpark wordt echter gekenmerkt door een groot aandeel huurders (61% volgens de Census 2011), wat een invloed heeft op potentiële energetische verbeteringen van het bestaande gebouwenpark;
  • de verbetering van de energie-efficiëntie van de gebruikte uitrustingen (bv. minder energie-verbruikende elektrische huishoudapparatuur);
  • de evolutie van de socio-economische kenmerken van de Brusselse bevolking (groei, samenstelling van de gezinnen, levensstandaard, …) en haar uitrusting (type en comfortniveau van het vastgoedpark, elektrische en elektronische uitrustingen, …);
  • het effect van energiebesparende gedragingen, verplicht (bijvoorbeeld door reglementeringen) of vrijwillig (ten gevolge van een bewustwording van de bevolking voor de milieuproblemen en het zuinig omspringen met natuurlijke rijkdommen): verlaging van de verwarmingstemperatuur in de gebouwen, … 
  • het energie- en mobiliteitsbeleid vanuit de overheid.
Datum van de update: 27/05/2020