U bent hier

Focus : productie en beheer van het slib en de sedimenten

Actualisering : december 2011

Het van de zuivering van afvalwater afkomstige slib (“restslib van stedelijk afvalwater”) en de van de ruiming van het oppervlaktewater (kanalen, waterlopen, vijvers) en van het rioleringsnet afkomstige sedimenten vertegenwoordigen een kwantitatief belangrijke materiaalstroom waarvan de beheers- en behandelingskosten vaak hoog kunnen oplopen, afhankelijk van de mate waarin ze verontreinigd zijn. Dit slib en deze sedimenten worden door een grote diversiteit van actoren beheerd via verschillende beheer- en behandelingscircuits, in functie van hun herkomst en hun fysisch-chemische samenstelling (min of meer minerale of organische samenstelling, mate van verontreiniging, …). Meestal prevaleren economische overwegingen boven milieucriteria bij de keuze van deze circuits.

De veralgemening van de verplichte zuivering van het restslib van stedelijk afvalwater, die het gevolg is van de in 1991 goedgekeurde Europese richtlijn, had als gevolg dat de behandeling van het geproduceerde slib opdook als nieuwe problematiek. Over deze behandeling wordt heel wat nagedacht op Europees niveau omdat al de mogelijke circuits (nuttige aanwending in de landbouw, nuttig gebruik als bouwmateriaal, meeverbranding die de nuttige toepassing als energiebron en als materiaal combineert, enz.) zowel voor- als nadelen bieden. De classificatie van deze circuits in functie van hun gevolgen voor het milieu blijkt in de praktijk relatief complex en is voorwerp van discussie.

Preventie – niet alleen in termen van een vermindering van de geproduceerde hoeveelheden slib en sedimenten, maar ook en vooral in termen van een vermindering van hun verontreinigingsgraad – ligt voor de hand als de eerste te treffen maatregel. Hieraan wordt tegemoetgekomen door tal van acties waarvan de implementatie is voorzien in het kader van het gewestelijk waterbeheerplan (zie hieronder).

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het slib hoofdzakelijk afkomstig van de twee gewestelijke waterzuiveringsstations (“primair slib”, geproduceerd via bezinking na beroostering en verwijdering van zand en olie, en “secundair slib”, afkomstig van de afbraak van de organische vracht door micro-organismen) en in mindere mate van septische putten en industriële zuiveringsinstallaties (cf hoofdstuk Water, « Zuivering van het afvalwater »). De gewestelijke WZI’s zijn uitgerust met al dan niet actieve voorzieningen voor de behandeling van het slib in situ.

Bij de WZI Noord bestaat het circuit voor het beheer van het slib uit de volgende stappen: predehydratatie (door zwaartekracht en centrifugering), thermische hydrolyse (verhitting tot hoge temperatuur en onder hoge druk om de micro-organismen te vernietigen), anaerobe digestie (fermentatie) met recuperatie van het geproduceerde methaan (10 % van de verbruikte elektriciteit) en “natte oxidatie” om al het resterende organische materiaal af te breken tot inerte minerale resten (“technozand”). Het aldus geproduceerde technozand (in 2010 goed voor 2.198 ton) wordt vervolgens gebruikt voor de afdekking van centra voor technische ingraving.

Er lopen echter ook onderzoeken en proeven met het oog op een betere nuttige toepassing van deze resten (vervaardiging van “bioplastic”). Op dit ogenblik wordt een deel van het slib buiten het station behandeld, voornamelijk via het verbrandings- of meeverbrandingscircuit (in de cementindustrie). Verder werden er twee bijkomende putten gerealiseerd; deze zouden het slib van septische putten alsook het veegslib van de straten en de ruiming van de straatkolken kunnen opvangen ten belope van respectievelijk 2.000 en 16.000 ton per jaar. Tussen de BMWB en Aquiris zijn de gesprekken volop aan de gang om de praktische aspecten voor de aanvaarding van deze bijkomende stromen te bepalen.

De WZI Zuid is uitgerust met een verbrandingsoven voor slib. Sinds september 2009 is deze niet langer actief omdat de installatie niet voorzien is voor de behandeling van de stikstofoxiden in de rookgassen. Op dit ogenblik wordt het slib naar Duitsland gestuurd om daar te worden verbrand. Een ander, voordien ingericht circuit was de meeverbranding in de cementindustrie. Er loopt nu een project om het station te moderniseren en zijn prestaties te verbeteren. Hierbij wordt ook nagedacht over het beheer van het slib, meer bepaald met het oog op een vermindering van de ermee gepaard gaande milieuimpact.

Wat de sedimenten betreft, is de belangrijkste afzetting afkomstig van de baggering van het Kanaal, een activiteit die onontbeerlijk is voor de binnenscheepvaart. De gebaggerde hoeveelheid verschilt licht van jaar tot jaar, al naargelang het budget. Sinds 2008 wordt er elk jaar circa 52.000 ton gebaggerd. Dit stemt overeen met een volume van 37.200 m3, d.w.z. de theoretische hoeveelheid die jaarlijks wordt afgezet. Naast economische motieven bepaalt ook de verontreinigingsgraad van deze sedimenten welk circuit wordt gevolgd voor hun behandeling. Tot in 2007 werd een deel van het baggerslib van het Kanaal nog geklasseerd als niet-gevaarlijk en kon het bijgevolg nuttig worden aangewend in de vorm van grondaanvullingen. Sindsdien moeten de gebaggerde sedimenten wegens de concentraties aan koolwaterstoffen die ze bevatten, een voorafgaande depolluerende behandeling ondergaan voor ze nuttig worden aangewend, of verstuurd naar een specifiek centrum voor technische ingraving. Dit heeft uiteraard aanzienlijke economische gevolgen. Het is in deze context dat de Haven van Brussel al verschillende jaren op zoek is naar een economisch en ecologisch aanvaardbare beheeroplossing.

De ruiming van de waterlopen en publieke vijvers die door de gemeenten of Leefmilieu Brussel wordt verzekerd, beantwoordt aan bepaalde ecologische eisen (handhaving van het waterpeil, opruiming van verontreinigingen, strijd tegen eutrofiëring ) maar eveneens aan hydrologische vereisten (voorkomen van overstromingen, …). Op dit ogenblik zijn wegens de concentratie aan polluenten (nutriënten, koolwaterstoffen, …) die zich doorheen de jaren hebben geaccumuleerd in het ruimingsslib, specifieke en dure behandelingen nodig. De inspanningen die het Gewest zich heeft getroost op het vlak van de aansluiting op het riolerings- en zuiveringsnet lijken zich te vertalen in een geleidelijke verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater (cf. hoofdstuk Water, « Ecologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers » en « Fysisch-chemische kwaliteit van het oppervlaktewater »).

De uitvoering van tal van maatregelen voorzien in het waterbeheerplan (o.a. betere scheiding van zuiver water en afvalwater, vermindering van de verontreinigende lozingen, herstel van het natuurlijk zelfreinigend vermogen van waterlopen en -partijen, herstel van het zelfruimend vermogen, inrichting van gecontroleerde sedimentvallen) zou die evolutie nog moeten versterkt. Naar de toekomst toe zou dit moeten leiden tot een vermindering van de verontreinigingsgraad van slib en sedimenten en in tweede instantie tot een afname van de geproduceerde hoeveelheden, waardoor de kosten voor de behandeling en verwijdering eveneens zouden moeten dalen.

Bronnen

  • Schaar C., 2010. "Production et gestion des boues et sédiments en Région de Bruxelles-Capitale", intern werkdocument van Leefmilieu Brussel, 15 pagina’s
  • Bruxelles Environnement, 2011, "Rapport sur les incidences environnementales du projet de programme de mesures accompagnant le plan de gestion de l’eau de la Région de Bruxelles-Capitale", 352 pages (p.130-144, p.295-296).
  • Leefmilieu Brussel, 2010, "Vierde afvalplan voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Plan voor de preventie en het beheer van afvalstoffen - Mei 2010"
Datum van de update: 24/07/2020