U bent hier

Biologische kwaliteit van de voornaamste waterlopen en vijvers

De tendens tot verbetering die werd vastgesteld tussen 2004 en 2010 voor de biologische kwaliteit van de waterlopen en van het Kanaal heeft zich in 2013 verder doorgezet voor de Zenne, ook al is de globale kwaliteit nog ver verwijderd van de doelstelling "goed ecologisch potentieel". Voor de andere waterlopen lijkt de kwaliteit zich te stabiliseren. Voor wat betreft de drie bestudeerde vijvers sinds 2004, die allemaal in de Woluwevallei gelegen zijn, is de kwaliteit de laatste jaren weinig geëvolueerd. Het goed ecologisch potentieel wordt bereikt voor sommige elementen van biologische kwaliteit. De slechte resultaten van de visindex zijn veralgemeenbaar voor het hele grondgebied.

Een monitoringnetwerk gebaseerd op vijf groepen biologische kwaliteitselementen

In 2004, 2007, 2009, 2010 alsook in 2013 – behalve voor de vissen in 2009 en 2010 - werd de biologische kwaliteit geëvalueerd. De volgende evaluaties zijn voorzien om de 3 jaar zoals bepaald door de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de aanbevelingen van de experten. De verschillende bemonsteringspunten zijn gelegen langs de Zenne, het Kanaal, de Woluwe (waterloop en vijvers) en één van haar zijtakken, de Roodkloosterbeek. Gelet op hun geringe grootte legt de KRW geen evaluaties op voor de Brusselse vijvers, maar wegens beheersdoeleinden worden drie van deze vijvers toch geëvalueerd. In 2007, werden er op de Zenne, na het station Zuid en voor het station Noord, twee nieuwe meetsites toegevoegd om de impact van de lozingen van de zuiveringsstations op te volgen, In 2009 werden verder ook de Neerpedebeek, de Molenbeek, de Vogelzangbeek en de Linkebeek geëvalueerd (waarvan de resultaten in de vorige milieustaat werden voorgesteld).
Vijf biologische groepen worden in rekening gehouden :

  • het fytoplankton (over het algemeen microscopische waterplanten in suspensie in het water),
  • de macrofyten (planten zoals riet),
  • het fytobenthos (micro- en macro-algen die bevestigd aan of in de buurt van de waterbodem leven),
  • de macro-invertebraten (insecten en larven, wormen, schaaldieren, …),
  • en de vissen.

De beoordeling van de biologische kwaliteit van elke index berust met name op een vergelijking van de waargenomen situatie in verhouding tot referentieomstandigheden. Deze laatste stemmen overeen met de optimale situatie (“maximaal ecologisch potentieel”), daar rekening wordt gehouden met de wijzigingen die door de menselijke activiteiten werden aangebracht aan de natuurlijke fysieke omstandigheden (zie methodologische fiche).

Evaluatie van de biologische kwaliteit van het oppervlaktewater in het Brusselse gewest

Onderstaande kaarten illustreren de verkregen evaluaties voor de 11 meetpunten die sinds 2004 of 2007 worden opgevolgd. De hieronder samengevatte beoordeling is gebaseerd op de resultaten van de studie met betrekking tot de meetcampagne 2013 (Van Onsem et al., 2014).

Evolutie van de biologische kwaliteit van de belangrijkste Brusselse waterlopen en van de vijvers van de Woluwe
Bron: Leefmilieu Brussel, dpt. Reporting en milieueffecten, 2015

 

Evolutie van de biologische kwaliteit van de belangrijkste Brusselse waterlopen en van de vijvers van de Woluwe
Met betrekking tot de plaats waar de Zenne het Gewest verlaat, heeft de verbetering van de biologische kwaliteit, waargenomen tussen 2004 en 2007, zich enkel voortgezet voor de macrofyten. Voor de biologische kwaliteit van de drie andere biologische groepen werden tussen 2007 en 2013 geen erg uitgesproken tendensen waargenomen, terwijl de fysisch-chemische kwaliteit in die tijd wel gunstig geëvolueerd is (zie “fysisch-chemische kwaliteit van het oppervlaktewater”). We kunnen toch opmerken dat de resultaten van 2013, in vergelijking met die van 2010, bemoedigend lijken, zowel op het niveau van het water als van de habitat (overstap naar een hogere categorie van "ontoereikend" naar "gemiddeld" of van "slecht" naar "ontoereikend" voor de macrofyten- en fytobenthos-index, (met uitzondering van één van beide meetsites) en macro-invertebraten). Enkel de resultaten van de volgende meetcampagnes laten echter toe om te bepalen of het gaat om een echte evolutie of om eenvoudige schommelingen van de biologische kwaliteit. Bij het binnenkomen van het Gewest blijft de situatie stabiel en voor de macro-invertebraten evolueert die zelfs in positieve zin. Deze enkele positieve tendensen bij het binnenkomen en bij het verlaten van het Gewest laten echter nog niet toe om een goed potentieel te bereiken. Bovendien wordt in het Vlaams Gewest stroomopwaarts en stroomafwaarts wel vis waargenomen terwijl dit nog altijd niet het geval is in het Brussels Gewest. Er moeten heel wat hindernissen overwonnen worden om de situatie te doen keren: barrières voor de vismigratie, ingrijpende hydromorfologische veranderingen (betonnen oevers, overwelvingen) maar ook de vele punt- of diffuse lozingen die de Zenne zowel bij droog weer (behandelde lozingen van de zuiveringsstations) als bij regenweer (afvoerput van veel overlaten) te slikken krijgt.

Het Kanaal vertoont over het algemeen een middelmatige biologische kwaliteit, bij eender welk in aanmerking genomen index en een gelijkwaardige kwaliteit tussen het binnenkomen en het verlaten van het Gewest. De waarden die werden verkregen voor de macro-invertebraten en vissen hebben de neiging om te stijgen: voor de macro-invertebraten is het goede potentieel zelfs bereikt bij het verlaten van het grondgebied. De vispopulatie is echter sterk verstoord door de overheersing van invasieve soorten, wat vaak het geval is in bevaarbare waterwegen. Bovendien lijken de waarden die werden verkregen voor de fytoplankton- en fytobenthos-indexen sinds de laatste campagne opnieuw te dalen, zonder dat deze tendens zich echter meteen vertaalt in een verandering van kwaliteitsklasse.
De situatie van de Woluwe ziet er heel anders uit. De biologische kwaliteit bereikt het goede potentieel voor de macrofyten en het fytobenthos en voor beide indexen is de tendens positief. De kwaliteit voor de macro-invertebraten en de vissen evolueert echter in ongunstige zin (respectievelijk matig en ontoereikend in 2013): de habitat zou dus voor deze twee indexen achteruitgegaan zijn. Voor de macro-invertebraten gaat deze achteruitgang gepaard met een daling in kwaliteitsklasse. Bovendien werd er voor het eerst Amerikaanse rivierkreeft (een invasieve soort) waargenomen: deze zou een bedreiging kunnen vormen voor de macrofyten en de macro-invertebraten.
De biologische kwaliteit van de Roodkloosterbeek is in 2013 achteruitgegaan ten opzichte van 2009 en 2010. De oorzaken van deze achteruitgang blijken niet de waterkwaliteit te zijn, te oordelen aan de goede score die werd bereikt voor het fytobenthos (enige index die het goede potentieel bereikt en die een positieve evolutie vertoont). Alle andere indexen zijn een kwaliteitsklasse gezakt. De macro-invertebraten -index bereikt weliswaar toch nog een matige kwaliteit, maar de macrofyten- en vis-indexen behoren tot een slechte kwaliteitsklasse. De eigenschappen van de habitat (staat van de oevers en van de bedding, veel schaduw) zouden de inplanting van de macrofyten verhinderen. De aanwezigheid van de Amerikaanse rivierkreeft speelt waarschijnlijk ook een rol.
De vijver van het Ter Bronnenpark(ETA 3 op de kaart) vertoont een ontoereikende kwaliteit voor de macro-invertebraten (die nog gemiddeld was in 2010) maar een matige kwaliteit voor de andere indexen. De waarden tonen een stabiele evolutie voor het fytoplankton en een positieve evolutie voor de macrofyten en de vissen. De goede score van de visindex moet genuanceerd worden, aangezien deze vijver gebruikt wordt als visvijver.
De lange vijver van het Woluwepark (ETA 2) en van het Bosvoordepark (ETA 1) bereiken het goede potentieel voor de macrofyten en de macro-invertebraten en een gemiddelde kwaliteit voor het fytoplankton. Deze positieve balans hangt samen met de biomanipulatie die respectievelijk in 2007 en 2005 werd uitgevoerd, waarvan de effecten in 2013 nog voelbaar zijn. Maar in tegenstelling tot de lange vijver, blijken de gunstige effecten af te nemen voor de vijver van het Bosvoordepark, waarvan de kwaliteit sinds 2009-2010 achteruitgaat en het water troebeler wordt. Met betrekking tot de score voor de vissen, blijft deze blijft slecht of ontoereikend.

De biomanipulatie: een win-operatie voor de kwaliteit van de vijvers als die goed uitgevoerd en opgevolgd wordt

Zoals hierboven aangegeven, is een van de duidelijkste verbetering van twee van de drie vijvers toe te wijzen aan een maatregel binnen het kader van het programma van het Blauwe netwerk: de biomanipulatie. Laat ons even de redenen en impact van deze maatregel, die werd uitgevoerd en bestudeerd in andere Brusselse vijvers, toelichten.
Biomanipulatie heeft de volgende doelstellingen: het water opnieuw helder krijgen door te werken op de voedingsketens binnen het water-ecosysteem (de troebelingsgraad heeft te maken met het fytoplankton), de ecologische kwaliteit van de vijvers te verhogen en, indien mogelijk, een stabiel aquatisch ecosysteem te verzekeren. Biomanipulatie bestaat uit een winterse drooglegging (die voor een oxygenatie en mineralisatie van het slib zorgen)  en uit een gedeeltelijke of volledige verwijdering van de vissen. Dit heeft normaal gezien een positief effect op de helderheid van het water. Doordat het licht dieper doordringt, kan de submerse vegetatie zich herstellen. Als de dekking door de submerse vegetatie voldoende is, worden er visetende vissen ingebracht om de staat van het aquatisch ecosysteem te stabiliseren.
De bio-manipulatie-acties die tussen 2005 en 2009 in 13 Brusselse vijvers werden uitgevoerd hebben, met uitzondering van één vijver, geleid tot een significante verbetering van de ecologische kwaliteit op korte termijn (VUB & APNA, 2010). Het welslagen op middellange termijn daarentegen is niet gewaarborgd: 6 vijvers hellen inderdaad opnieuw over naar hoge fytoplanktonwaarden. Er werden verschillende oorzaken voor de mislukking bepaald (hoeveelheid weggenomen vis was onvoldoende, vissen werden te vroeg heringevoerd, het gehalte nutriënten - in het bijzonder totale fosfor - is te hoog).
De kennis die men heeft verworven op het vlak van biomanipulatie (VUB & APNA, 2010) heeft de positieve effecten van deze methode bevestigd (in vergelijking met 17 niet-biogemanipuleerde vijvers). Er werd ook een interventiestrategie uitgewerkt om de juiste herstelacties te selecteren in functie van de specifieke context van elke Brusselse vijver. Een regelmatige opvolging van de vijvers waar de biomanipulatie voor een positief effect heeft gezorgd, lijkt essentieel, rekening houdend met de waargenomen snelle evolutiedynamiek.

Positieve effecten van de verbetering van de biologische kwaliteit van het water op de biodiversiteit

De verbetering van de biologische kwaliteit van de Woluwevallei zou volgens de onderzoekers aan de basis liggen van de opmerkelijke evolutie van de libellenpopulatie (libellen en waterjuffers), zowel wat het aantal soorten als wat de bewaringsstaat betreft, tussen 2006 en 2013 (zie Groene ruimten en biodiversiteit “Monitoring van de soorten”).

Welke perspectieven zijn er voor de waterlopen?

Voor de waterlopen blijken acties op de hydromorfologie (meer bepaald het vrij visverkeer) of de beperking van de uitstoot van polluenten (opruiming van de waterbodems, vermindering van de werking van de overlaten, wegnemen van de illegale lozingen) iedere ecologische hersteloperatie vooraf te gaan en lijken ze noodzakelijk om een significante vooruitgang van hun biologische kwaliteit te verkrijgen .
Hoewel de hoge hydromorfologische druk op de Brusselse waterlopen inherent is aan het verstedelijkte karakter van het Gewest (cf. de lijst van de wijzigingen in het hoofdstuk 2 van het ontwerp van tweede waterbeheerplan, 2015), is het zeker ook mogelijk om deze druk op sommige plaatsen te verminderen om er opnieuw habitats te doen ontstaan die gunstig zijn voor in het water levende gemeenschappen, die als basis dienen voor de beoordeling van de biologische kwaliteit. Om deze acties te plannen, voorziet het ontwerp van tweede waterbeheerplan (dat momenteel wordt goedgekeurd) om een inventaris van de hydromorfologische staat van de Zenne en de Woluwe uit te voeren.
Met betrekking tot de beperking van de lozingen van polluenten, wordt het gewestelijk beleid voor opvang en behandeling van de lozingen van afvalwater voortgezet. Tegelijkertijd wordt het beleid voor het kwaliteitsbeheer van het afvloeiingswater en het beleid om terug helder water te krijgen in het hydrografisch netwerk, steeds verder uitgebouwd (zie het ontwerp van het tweede waterbeheersplan). Een andere maatregel om de lozingen van polluenten te beperken, is het wegnemen van de waterbodems van de Zenne: in de zomer 2013 werd de ruiming uitgevoerd van het deel stroomopwaarts en in 2016 is de ruiming gepland van het deel stroomafwaarts. Het is interessant om vast te stellen of deze actie gepaard zal gaan met een positieve impact op de biologische kwaliteit bij de volgende meetcampagnes.

Een bedreiging: de verspreiding van de invasieve soorten

De aanwezigheid van invasieve exotische soorten zou problematisch kunnen zijn voor het beheer en het herstel van de aquatische ecosystemen. Er werd voor de eerste keer Amerikaanse rivierkreeft waargenomen in de Roodkloosterbeek tijdens de controlecampagne in de Woluwe in 2013. Bovendien worden veel in het water levende gemeenschappen in het Kanaal overheerst door invasieve soorten (zie Groene ruimten en biodiversiteit “Invasieve exoten”).

Datum van de update: 30/05/2020
Documenten: 

Methodologische fiche(s)

Tabel(len) met de gegevens

Factsheet(s)

Studie(s) en rapport(en)

Plan(nen) en programma(‘s)