U bent hier

Focus: Kwantitatieve toestand van het grondwater

Actualisering : december 2015

De kwantitatieve toestand van de vijf grondwaterlichamen wordt geacht goed te zijn en dit ook te blijven tegen 2021. Voor het waterlichaam van de Brusseliaanzanden kennen de waterwinningen een dalende evolutie en zou de klimaatverandering de aanvulling van de grondwaterlaag positief kunnen beïnvloeden. Op bepaalde meetpunten wijken de schommelingen in het piëzometrisch niveau echter af van de algemene tendens die is waargenomen voor de meerderheid van de meetpunten. In de komende jaren is er dus sprake van een potentieel risico en onzekere vooruitzichten wat de goede kwantitatieve toestand van dit waterlichaam betreft.

Nagestreefde doelstelling: bereiken van de “goede kwantitatieve toestand”

Voor het grondwater van het Brussels Gewest werden milieudoelstellingen vastgelegd overeenkomstig de Kaderrichtlijn Water en de Kaderordonnantie Water (KRW en KOW) en de “dochterrichtlijn” betreffende de bescherming van het grondwater (2006/118/EG) en haar omzettingsbesluit. Deze komen neer op het bereiken van de “goede kwantitatieve en chemische toestand” voor de 5 grondwaterlichamen in 2015 en tegen 2021. De “goede kwantitatieve toestand”komt overeen met een duurzaam beheer van het water, dat rekening houdt met de evolutie van de winningen en de aanvulling van de aquifers.
De karakterisering van de goede toestand is voornamelijk gebaseerd op de analyse van de evolutie van het grondwaterpeil en houdt rekening met de gewonnen volumes. De evolutie van de pluviometrie en de afgedekte oppervlakken die de infiltratie naar de grondwaterlagen reduceren zijn eveneens factoren die de grondwateraanvulling en bijgevolg ook de kwantitatieve toestand van het grondwater beïnvloeden.
Sinds eind 2015 is er een matematisch model beschikbaar van het waterlichaam van de Brusseliaanzanden. Dat zal op termijn leiden tot een beter begrip van de trend van de kwantitatieve toestand van deze waterhoudende laag, aan de hand van testen van de effecten van extreme klimaatveranderingsscenario's alsook van de gevoeligheid van de laag ten opzichte van waterwinning.

Gewonnen watervolumes

Een honderdtal winningen, verspreid over de verschillende waterlichamen, zijn onderworpen aan een vergunning. In 2013 werd er 2,5 miljoen m3 water gewonnen uit de verschillende lagen, waarvan drie kwart afkomstig was uit de waterwinningen van Vivaqua in het Terkamerenbos en het Zoniënwoud (waterlichaam van het Brusseliaan) die voor de productie van drinkwater zijn bestemd (wetende dat ze slechts aan 3% van de behoeften tegemoet komen - zie “Drinkwaterbevoorrading en -verbruik”). Het laatste vierde is bestemd voor industrieel of tertiair gebruik. Het volume dat bestemd is voor de landbouwsector is te verwaarlozen aangezien die sector amper aanwezig is in het Brussels Gewest.
Sinds 2003 is voor de gewonnen volumes waarvoor een vergunning vereist is de dalende tendens duidelijk merkbaar en dat voor alle waterlichamen en alle gebruiken. Die algemene daling kan met name verklaard worden door een afname in waterwinning voor drinkwatervoorziening tussen 2003 en 2011 en door de tertiarisering van de Brusselse economie: waterwinning voor industriële doeleinden neemt alsmaar af, zowel in aantal als in volume. Dat er ondanks die tertiarisering ook een daling is opgetekend voor de tertiaire sector zou kunnen betekenen dat de tertiaire sector steeds minder beroep doet op grondwaterwinning als alternatief voor drinkwater.
De voorspellingen zijn dat de onttrekkingen voor de industriele en tertiaire sectoren status quo zullen blijven of zullen afnemen en dat de watervraag van de gezinnen zich zal stabiliseren (zie “Drinkwaterverbruik door de gezinnen”). 
Naast die onttrekkingen waarvoor een vergunning vereist is, wordt er op bouwwerven tijdelijk water opgepompt om het grondwater te bemalen en om de funderingen van bouwwerken droog te kunnen realiseren of om werken met betrekking tot de sanering van verontreinigde bodems te kunnen verrichten. Er wordt ook permanent water opgepompt, om overstromingen in de ondergrondse infrastructuren van de metro te voorkomen, of met het oog op een hydrothermisch gebruik van het grondwater. Het opgepompte water is afkomstig van de Brusseliaanzanden en de watervoerende lagen van het Quartair. Hoewel de volumes niet met zekerheid gekend zijn, gaat het vermoedelijk om grote hoeveelheden.

Bodemafdekking

De studie over de evolutie van de bodemafdekking (IGEAT, 2006) wijst op een stijging van het percentage afgedekte oppervlakten in het Brussels Gewest tussen 1955 en 2006: van 27% naar 47%. Die stijging zorgt mogelijk voor een beperking van de infiltratie naar de grondwaterlaag. Rekening houdend met de toenemende verstedelijking van het Gewest is die evolutie normaal en valt te verwachten dat het percentage zal blijven stijgen. Willen we de grondwatertoevoer in stand houden, dan bestaat de uitdaging er dus in om het verlies aan doorlaatbare oppervlakten te compenseren door infiltratiewerken en/of de instandhouding van natuurlijk infiltratiezones. Over de precieze impact van de daling in het aantal doorlaatbare oppervlakten op de grondwatertoevoer bestaan voorlopig nog geen cijfers.

Wat is de impact van klimaatverandering op het grondwaterpeil?

Hoewel er interesse is voor de impact van het klimaat op het grondwater, wordt de aandacht vooral gericht op de periode waarin in principe grondwateraanvulling plaatsvindt. Volgens twee studies loopt die periode van optimale aanvulling van september-oktober tot februari-maart in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (KMI, 2014 studie met betrekking tot de modellering van de Brusseliaan-waterlaag, 2015). In de lente en in de zomer is er weinig infiltratie van neerslagwater, omdat dit dan naar plantengroei gaat.
De maandelijkse neerslaghoeveelheden in Ukkel tijdens de aanvulperiode, tussen september en maart, vertonen sinds 1901 een sterke variabiliteit van jaar tot jaar met een licht opwaartse tendens (ongeveer +10%) (KMI, 2014). Bekijken we echter kortere tijdsspannes, dan zitten er duidelijk schommelingen in de tendensen.
Volgens de klimatologische scenario's in de studie over aanpassing aan de klimaatverandering in het Brussels Gewest (Factor-X, Ecores, TEC, 2012), zouden de klimaatveranderingen zich vertalen in een wijziging van het neerslagregime dat varieert volgens de seizoenen (nattere winters maar integendeel minder regenachtige lentes en zomers). Aangezien de efficiënte infiltratie van neerslagwater voornamelijk optreedt in de winter, kan dus verwacht worden dat de klimaatveranderingen een positief effect op de grondwateraanvulling zullen hebben. Dankzij het matematische model van het waterlichaam zou die impact in cijfers moeten kunnen worden omgezet.

Monitoring van de kwantitatieve toestand van het grondwater

Drie monitoringnetwerken volgen het piëzometrisch niveau van het grondwater: het eerste dient voor het toezicht van de 5 waterlichamen van het Brussels gewest (eind 2012 omvatte dit 48 meetpunten), het tweede voor de kwartaire sedimenten en de oppervlakkige alluvionnaire waterlagen (3 meetpunten) en het laatste controleert specifiek het beschermingsgebied van de waterwinningen voor menselijke consumptie (10 meetpunten).
De piëzometrische monitoring werd sinds oktober 2012 uitgebreid tot de meting van het debiet van elf bronnen, welpunten van het waterlichaam van het Brusseliaan.

Kwalificatie van de kwantitatieve toestand van het grondwater

Gezien de evolutie van de piëzometrische niveaus (die voor sommige monitoringsites al meer dan 25 jaar worden opgevolgd), worden de 5 grondwaterlichamen op dit ogenblik beschouwd als lichamen die in een goede kwantitatieve toestand verkeren. Dat zal vermoedelijk zo blijven tot 2021, voor zover de tendensen die verband houden met de huidige waterwinningen en aanvullingen van de aquifers, niet veranderen.
De 4 grondwaterlichamen van de Sokkel en het Krijt, van de Sokkel in het voedingsgebied, van het Landeniaan en van het Ieperiaan (Heuvelstreek) worden geacht tegen 2021 een goede kwantitatieve toestand te bereiken. Het peil van die waterhoudende lagen vertoont inderdaad een algemene stijgende tendens sinds 1996 op verschillende monitoringsites (en vervolgens een stabiele trend sinds 2004 in het geval van het Ieperiaan (Heuvelstreek)), terwijl de druk die samenhangt met onttrekkingen steeds verder daalt.
Ook het waterlichaam van het Brusseliaan wordt geacht tegen 2021 een goede toestand te bereiken. Daarna wordt de evolutie echter overschaduwd door verschillende onzekerheden. De tijdsreeksen van de piëzometrische metingen vertonen immers een sterke variabiliteit in tijd en ruimte naargelang het meetpunt. Die variabiliteit wordt aangetoond in de volgende figuur.

Evolutie van het piëzometrisch niveau van het waterlichaam van het Brusseliaan op twee meetpunten (371 en 397)
Bron: Leefmilieu Brussel, 2015

Evolutie van het piëzometrisch niveau van het waterlichaam van het Brusseliaan op twee meetpunten (371 en 397)

Evolutie van het piëzometrisch niveau van het waterlichaam van het Brusseliaan op twee meetpunten (371 en 397)

Evolutie van het piëzometrisch niveau van het waterlichaam van het Brusseliaan op twee meetpunten (371 en 397)

Aangezien het om een relatief ondiepe en een vrije waterlaag gaat, hangt het piëzometrisch niveau rechtstreeks samen met de neerslaghoeveelheden: het niveau schommelt volgens aanvulperiodes en periodes waarin de laag droog komt te liggen. Die schommelingen zijn echter noch identiek, noch synchroon voor de verschillende meetpunten. Zoals aangetoond in bovenstaande figuren kan de cyclus seizoensgebonden zijn (zoals voor meetpunt 371) of meerdere jaren omvatten (zoals voor meetpunt 397). Wat de meerjarentrends betreft: trendomkeringen doen zich niet noodzakelijk op dezelfde datum voor. Bovendien volgen de waargenomen evoluties niet noodzakelijk dezelfde richting (de recente meerjarentrend sinds 2007 vertoont een algemeen dalende lijn voor meetpunt 397 maar een opwaartse trend voor meetpunt 371).
Meerdere factoren kunnen worden aangehaald ter verklaring van de variabiliteit die werd vastgesteld voor het waterlichaam van het Brusseliaan: de milieuomstandigheden van het meetpunt (verstedelijking, microklimaat, etc.), zijn ligging ten opzichte van de grenzen van de aquifer, de diepte van de aquifer loodrecht op het meetpunt, de impact van oppompingen in het Brussels en/of Vlaams Gewest, het buffereffect van onttrekkingen voor de productie van drinkwater in het Ter Kamerenbos en het Zoniënwoud, de lithologie van de geologische formaties van de niet-verzadigde zone waar infiltratiewater doorheen loopt... Zonder bijkomende analyse is het echter moeilijk om de rol van deze factoren en de toekomstige evolutie van de niveaus te bepalen. In dit opzicht biedt het matematische model van het waterlichaam wellicht waardevolle inzichten.
 

Datum van de update: 30/05/2020
Documenten: 

Factsheet(s)

Fiche(s) van de Staat van het Leefmilieu

Studie(s) en rapport(en)

Plan(nen) en programma(‘s)