U bent hier

Focus: De stedelijke moestuinen

Volgens een inventaris van de collectieve en familiale moestuinen (buiten privétuinen en scholen) van de hand van Leefmilieu Brussel telde het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in 2013, 260 moestuinsites, goed voor een bewerkte oppervlakte van 56 hectare (ofwel 0,35% van het grondgebied). In het centrum en errond worden er gebieden met een schaarste aan moestuinen vastgesteld. Toch hoort men er eveneens mee rekening te houden dat dit tekort in de centrale wijken vaak gepaard gaat met een beperkt aanbod aan groene ruimten en privétuinen, alsook met een sterke bevolkingsdichtheid en een gemiddeld laag inkomen per inwoner. Een recente peiling schat overigens dat één Brussels huisgezin op 10 zou beschikken over een eigen moestuin of boomgaard.

Verschillende studies en enquêtes wijzen op een aanmerkelijk ontwikkelingspotentieel voor moestuinen en stadslandbouw in het Brussels Gewest, zowel op het vlak van productie voor zelfconsumptie als op het vlak van professionele productie. Op deze basis, welbewust van de in verschillende opzichten positieve impact -op milieuvlak, sociaal en economisch- van het ontwikkelen van teelt- en stadslandbouwpraktijken, voert het Brussels Gewest een actief beleid om dit potentieel te ontwikkelen.

Multifunctionaliteit van de stadsmoestuinen

De ontwikkeling van stadsmoestuinen en meer in het algemeen van stadslandbouw wordt steeds meer opgevat als een hefboom bij uitstek om steden op het pad te zetten van meer duurzaamheid en het hoofd te bieden aan bepaalde grote hedendaagse stedelijke uitdagingen.

Stadslandbouw is er onder verschillende vormen: groenteteelt in volle grond of in kassen, fruitbomen, kleine teelten, bijenteelt, aquacultuur, kinderboerderijen, ondergronds paddenstoelen kweken,... en heeft betrekking op zowel individuele personen als initiatieven van burgers en ondernemers. Er komen tal van hybride vormen tot ontwikkeling die profit en non-profit, professionele productie en zelfproductie combineren. Alle zijn ze gericht op een nabije consumptie en spreken ze van een bekommernis voor de milieu-uitdagingen.

Deze focus gaat voornamelijk over niet-professionele familiale of collectieve moestuinen, vooral bestemd voor zelfproductie. Deze teeltpraktijken streven verscheidene doelstellingen na, die volgens de actoren minder of meer prioritair zijn: voedselproductie (zelfproductie), maar ook recreatieve doelstellingen (contact met de natuur, ontspanning, fysieke activiteit), sociale doelstellingen (plekken om elkaar te ontmoeten en samen nieuwe gedragingen aan te leren, ingaan op een leerbehoefte, steun aan therapeutische projecten of projecten voor beroepsinschakeling,...) of educatieve doelstellingen (principes van biologische landbouw, seizoenscycli, lokale soorten,...). Vanuit milieustandpunt vormen de moestuinen eveneens groene ruimten die de biodiversiteit ondersteunen, het stedelijk landschap mee helpen verbeteren en regenwater laten infiltreren. Door te telen in een stedelijke omgeving, in soms erg kleine tussenruimten, ontstaan er en blijven er binnenin de wijken open ruimten bestaan. Al deze voordelen tonen in welke mate de ontwikkeling van deze praktijk sterk kan bijdragen tot een beter levenskader van de stadsbewoners.

Collectieve en familiale moestuinen: stand van zaken

Leefmilieu Brussel maakte een inventaris op van de oppervlakte die opgaat aan groente- en fruitteelt in de stad, met haar eigenschappen. Het bracht toen eveneens de plekken in kaart die moestuinen konden herbergen. Deze studie had enkel betrekking op de moestuinsites die door meerdere personen worden bewerkt (collectieve en familiale moestuinen), de moestuinen van privétuinen of scholen zaten hier niet in. Alle moestuinsites, officieel (gemeentelijke, gewestelijke moestuinen, moestuinen op privéterreinen,...) of officieus (ingenomen terreinen), werden geïnventariseerd.

Volgens deze studie telt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in 2013, 260 moestuinsites, samen goed voor een bewerkte oppervlakte van 56 hectare, hetzij 0,35 % van het grondgebied.

Onderstaande kaart brengt de spreiding en de omvang van deze moestuinen in het stadsweefsel in beeld. Elke moestuin wordt vertegenwoordigd door een cirkel met een straal van 500 m vanaf het middelpunt. Deze afstand in vogelvlucht komt dan overeen met ongeveer 10 minuten stappen. Deze voorstelling laat toe om bij een eerste benadering te achterhalen waar er zones zijn met schaarse mogelijkheid voor de Brusselaars tot toegang tot een moestuin in de nabijheid.

Situering en omvang van de collectieve en familiale moestuinen 
Bronnen: BRAT en BGI 2013

Situering en omvang van de collectieve en familiale moestuinen
Deze kaart toont dat de moestuinsites ongelijkmatig over de wijken zijn verdeeld: sterke concentraties of integendeel niet-uitgeruste gebieden vallen zowel in het centrum als errond waar te nemen. De gebieden met tekorten in het centrum hebben ook vaak te lijden onder een beperkt aanbod groene ruimten en privétuinen. Daarbovenop komt nog eens de sterke bevolkingsdichtheid en het gemiddelde lage inkomen per inwoner.

Oppervlakte van de collectieve en familiale moestuinen (totaaloppervlakte en per inwoner) per gemeente
Bronnen: BRAT en BGI 2013

Oppervlakte van de collectieve en familiale moestuinen (totaaloppervlakte en per inwoner) per gemeente
De ingezamelde gegevens brachten eveneens het volgende aan het licht:

  • ongeveer 72% van de Brusselaars beschikt over een voor het publiek openstaande moestuinsite op minder dan 500 meter in vogelvlucht van de woonplaats. In soort en in omvang zijn deze moestuinen desalniettemin erg verschillend;
  • gemiddeld heeft elke Brusselaar een theoretische toegang tot 0,49 m2 moestuin (buiten privétuinen en scholen) met, zoals onderstaande grafiek illustreert, evenwel sterke verschillen tussen de gemeenten;
  • buiten het centrum zijn de moestuinen doorgaans talrijker en meer uitgebreid dan in het centrum;
  • in de wijken buiten het centrum zijn er in verhouding meer zogenaamde “familiale” of “individuele” moestuinen (in tegenstelling tot de zogenaamde “collectieve” of “leermoestuinen”);
  • nagenoeg 90% van de moestuinen beschikt volledig of deels over percelen volle grond. Moestuinen die slechts bestaan uit teelten in bakken of zakken bevinden zich voornamelijk in de centrale wijken;
  • nagenoeg drie op vier van de geïnventariseerde moestuinen ligt volledig of deels op een kadastraal perceel dat behoort tot een overheidsorgaan en meer dan een derde in groen- of in landbouwgebied.

Moestuinen in privétuinen zitten niet in deze gegevens vervat.

Een peiling die moet leiden tot de “Milieubarometer van het BHG” (Ipsos public affairs, 2014) geeft aan dat op individuele schaal één Brusselaar op vijf fruit of groente voor persoonlijke consumptie teelt. Dit cijfer geeft evenwel erg wisselende realiteiten weer (gaande van wat fruit of groente in potten kweken tot het bewerken van een echte moestuin).  Volgens een andere peiling naar het gedrag van huisgezinnen inzake de aankoop en het gebruik van pesticiden (Sonecom 2015) zou één Brussels huisgezin op 10 over een privémoestuin of -boomgaard beschikken.

Ontwikkelingspotentieel

Het vergroten van de oppervlakte voor moestuinteelt kan op verscheidene manieren gebeuren. Van een klassieke of relatief klassieke aanpak (ontwikkeling van nieuwe percelen, ook in de privétuinen, intensivering en uitbreiding van het gebruik van de bestaande moestuinen, kasteelten op daken of terrassen) tot meer vernieuwende projecten die, momenteel, nog vaak in een proef- of demonstratiefase zitten (productie van vissen gekoppeld aan groente- en fruitteelt of aquaponics, mobiele moestuinen of miniatuurboerderijtjes, teelten op gevels, enz.).

Voor het groeipotentieel van groente- en fruitteelt op de grond toonde de studie van het BRAT, over de inventarisering en de evaluatie van het ontwikkelingspotentieel voor collectieve en familiale moestuinen, aan dat een aanzienlijk aantal bestaande moestuinsites een hoog ontwikkelingspotentieel vertoont, ofwel door uitbreiding van de bewerkte oppervlakte, ofwel door intensivering van de reeds bewerkte oppervlakte. Er werden eveneens sites of percelen aangeduid die potentieel nieuwe moestuinen kunnen herbergen. Het bleken er uitzonderlijk veel te zijn: onbebouwde stukjes grond, ruigten, groene ruimten, landbouwgebieden, stroken langs spoorwegen, tuinwijken, onmiddellijke omgeving van grote wooncomplexen, enz. De belangstelling van een deel van de burgers voor een moestuinperceel is overigens reëel. Getuige de wachtlijsten op de gemeenten en bij Leefmilieu Brussel (ongeveer 370 personen die actief een aanvraag hebben gedaan en sinds 2015 wachtende zijn).

Op het vlak van privétuinen en -ruimtes bestaat er ook een ontwikkelingspotentieel voor moestuinen. Volgens een enquête op vraag van Leefmilieu Brussel over telen in de stad (Dedicated research, 2011) zou 85% van de Brusselaars beschikken over een privétuin (privé of ter beschikking gesteld), een terras, een balkon, een plat dak of een binnenplaats (van meer dan een m2). Hiervan zou 22% reeds fruit, groenten of aromatische planten telen, terwijl 51% er reeds aan of over gedacht zou hebben.

De mogelijkheden om stadslandbouwprojecten op het dak te verwezenlijken lijken ook niet gering. Volgens een andere studie (Lateral Thinking Factory, 2013) telt het Gewest immers om en bij de 4777 platte daken (buiten huisvesting), gespreid over een oppervlakte van ongeveer 591 ha (waarvan meer dan 80% met een oppervlakte van meer dan 1000 m2.

Wat doet het Gewest?

Leefmilieu Brussel voert een beleid rond de ontwikkeling van stadsmoestuinen en hanteert daarvoor verschillende instrumenten.

Sinds 1995 worden er in parken perceeltjes aangelegd als familiale en collectieve moestuinen, maar slechts sinds 2012 kwam er officieel een echte gestructureerde strategie rond de ontwikkeling van een “moestuinnetwerk” tot stand.  Het moestuinnetwerk is nauw verwant met het groen netwerk. Het heeft als bedoeling de bestaande moestuinen te behouden en er nieuwe te ontwikkelen, waarbij deze zo veel mogelijk evenwichtig en in voldoende mate over het Brussels grondgebied moeten worden verdeeld.  Het gaat hier over moestuinen op volle grond, in bakken, op balkons of op daken.

Deze strategie en het bijgaande actieprogramma zijn opgebouwd rond vijf hoofdlijnen:

  • de Brusselse toestand inzake fruit- en groenteteelt kennen en volgen;
  • het telen van groente en fruit aanmoedigen;
  • de oppervlakte voor moestuinteelt doen toenemen;
  • economische activiteiten rond de productie van stedelijke groente- en fruitteelt doen ontstaan;
  • milieuvriendelijke groente- en fruitteelt ondersteunen.

In dit kader werden verschillende acties gevoerd, met name:

  • steun aan initiatieven rond de aanleg van collectieve moestuinen (37 sinds 2011);
  • mensen die betrokken zijn bij het aanleggen van familiale en collectieve moestuinen laten netwerken om zo een participatieve dynamiek te creëren en knowhow te doen rondgaan (ontmoetingsfora, terreinbezoeken, ontwikkeling van communicatietools, enz.);
  • beheer van de moestuinen in de gewestelijke parken en ontwikkeling van nieuwe moestuinsites.

Momenteel beheert Leefmilieu Brussel 9 moestuinsites met een totaaloppervlakte van meer dan 2,5 ha verdeeld over 249 individuele percelen. Ze worden er met oog voor het milieu beheerd (door de ondertekening van gebruiksovereenkomsten met de personen die de percelen bewerken). Ook de sociale en pedagogische dimensie van de projecten krijgt de nodige aandacht.

Leefmilieu Brussel wil dit beleid voortzetten door op nieuwe sites nieuwe percelen aan te leggen of door de bestaande sites te vergroten, maar eveneens door het beheer van de bestaande sites te verbeteren (verlaten percelen opnieuw in gebruik laten nemen, controle op de naleving van de gebruiksovereenkomsten, opdeling van te grote percelen, enz.). Tussen 2009 en 2014 werden er zo 84 nieuwe percelen voor een totaaloppervlakte van 9121 m2 in het leven geroepen, met name in de centrale zone (collectieve moestuin op Thurn & Taxis). Het betere beheer vertaalde zich overigens in 124 nieuwe toekenningen van percelen tussen 2012 en half 2014.  Andere projecten zijn lopende of werden gepland.

De algemenere bevordering van de praktijk van telen en van zelfproductie vertaalde zich in een erg grote diversiteit van projecten, voornamelijk sinds 2011:

  • projectoproepen duurzame wijken, duurzame voeding of scholen (hier leidde dat tot 59 moestuinprojecten in scholen tijdens de periode 2011-2014 en tot de aanleg, in de “duurzame wijken”, van 13 collectieve moestuinen tijdens de periode 2008-2014);
  • ondersteuning voor de ontwikkeling of voor de implementering van een pijler rond moestuinen in de lokale agenda’s 21;
  • opleidingen voor het grote publiek (369 personen bereikt in de periode 2012-2014) en moestuinmeesters (80 vrijwilligers opgeleid tussen 2012-2014);
  • subsidies voor kinderboerderijen (kwam meer dan 12000 kinderen/jaar ten goede) en voor vzw’s die actief zijn rond moestuinen;
  • animatieactiviteiten in klassen (kwam ten goede van 1000 leerlingen/jaar);
  • verdeling van zaadjesboxen (5000 in 2012, 7500 in 2013 en 10000 in 2015);
  • opzetten van een helpdesk (210 aanvragen in 3 jaar);
  • publicaties van infofiches over moestuinen;
  • organisatie van een “Open Moestuinen”-bezoekweek in mei 2015.

Het Brussels Gewest voert overigens sinds enkele jaren acties uit rond de transitie naar een duurzamer Brussels voedingssysteem. Eerst waren ze gericht op de vraag van de consumenten (ecoconsumptie) en vervolgens werden deze acties uitgebreid naar de ontwikkeling van een lokaal en duurzaam voedingsaanbod.  Zo ging er in het kader van de implementering van de as Voeding van de Alliantie Werkgelegenheid-Milieu steun naar verscheidene projecten met als doel een professionele productie in stedelijke en randstedelijke landbouw, in volle grond en in kasteelt, te ontwikkelen (zie focus “Alliantie Tewerkstelling-Leefmilieu” ).

Een studie schatte het gewestelijk potentieel voor rechtstreekse en onrechtstreekse jobcreatie in duurzame voeding overigens in op 2900 banen, grofweg een verdubbeling dus, op 10-15 jaar tijd, van de werkgelegenheid die werd geraamd voor het duurzame deel van het huidige Brusselse voedingssysteem (Centre d’études régionales bruxelloises des FUSL, revisie maart 2014).

Tot slot startte er in 2015 een participatief proces op met als doel een strategie en een actieplan uit te werken om een transitie naar meer duurzaamheid in het Brusselse voedingssysteem te bevorderen. Dit heeft eind 2015 geleid tot de aanname van de strategie Good food (« Naar een duurzamer voedingssysteem in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest  »).

Datum van de update: 30/05/2020
Documenten: 

Factsheet

Fiche(s) van de Staat van het Leefmilieu

Andere publicaties van Leefmilieu Brussel

Studies en rapporten

Plan en programma