U bent hier

Uw parking (professionnels)

a. De ventilatie
b. Het gebruik van de parking
c. De nooduitgangen en de toegangen
d. Het verkeer
e.  De markeringen en de bewegwijzering
f.  De brandbestrijdingsmiddelen en de voorzieningen tegen luchtverontreiniging
g. De verlichting en de verwarming

a. De ventilatie

Ventilatiesysteem 

  • Opteer voor een mechanische ventilatie, als de natuurlijke ventilatie ontoereikend is, en respecteer daarbij de opgelegde debieten en andere indicaties van uw vergunning. 

    Zelfs stilstaand, met de motor uit, stoten voertuigen toxische en schadelijke polluenten uit. De parkings dienen dan ook natuurlijk of mechanisch geventileerd te worden, volgens de normen die afhangen van de categorie van parking :  

    categorie 1: parking met 75 % of meer plaatsen voor woningen, kantoren of gelijkgesteld;
    categorie 2: parking met meer dan 25 % plaatsen voor handelszaken, publieke parking of gelijkgesteld.

    De parking wordt natuurlijk geventileerd, als de openingen aan beide uiteinden voor een permanente luchtstroom zorgen.  Als de openingen te klein of onbestaande zijn en als de natuurlijke ventilatie bijgevolg ontoereikend is, dan zal uw milieuvergunning een mechanische ventilatie met een luchtafvoersysteem opleggen.  In sommige gevallen zal uw vergunning eerder een verbetering van de natuurlijke ventilatie opleggen, al naargelang de technische haalbaarheid in uw gebouw.

    Een natuurlijke ventilatie volstaat voor:

    Type van parking

    Eigenschappen

    De open parkings

    Een parking wordt als open beschouwd, als elk niveau aan alle vermelde voorwaarden voldoet.

    De tegenover elkaar gelegen gevels:

    a. bevinden zich over hun hele lengte op maximum 60 m van elkaar;

    b. zijn minstens 5 m verwijderd van buitenobstakels, zoals naburige gebouwen of taluds, ... (horizontale afstand in de open lucht);

    c. bevatten beide voldoende grote openingen.

    Opmerking: Er kunnen zich obstakels tussen deze 2 gevels bevinden, voor zover de nuttige oppervlakte voor de luchtdoorstroming (waarbij rekening gehouden wordt met een volledige bezetting van de parkeerplaatsen voor auto's) minstens gelijk is aan de voor de gevel vereiste oppervlakte van de openingen.

    De openingen:

    a. hebben een oppervlakte die minstens gelijk is aan 1/6de van de totale oppervlakte van de wanden;

    b. zijn gelijkmatig verdeeld over de lengte van elk van beide gevels.

    De parkings van categorie 1, beperkt verkeer

     

    - Kleine parkings < 50 plaatsen,

    De openingen:

    a. hebben een oppervlakte van minstens 0,15 m2 per parkeerplaats;

    b. bevinden zich op maximum 20 meter van elkaar;

    c. geven rechtstreeks uit op buiten of zijn voorzien van een koker van maximum 2 m lang (als de koker langer is, moet de diameter ervan verdubbeld worden).

    - Bestaande parkings zonder mechanisch ventilatiesysteem (ofwel niet voorzien bij de bouw, ofwel niet in werkende staat)

    De openingen:

    a. Aan elk uiteinde van de parking moet er minstens een opening zijn;

    b. De oppervlakte van de openingen moet minstens gelijk zijn aan 5 % van de oppervlakte van de wanden.

    De luchtkwaliteit:

    a. Er is geen sprake van een gasreukprobleem;

    b. Er is voor luchttoevoer gezorgd;

    c. De CO-concentratie is niet te hoog (=vergelijkbaar met de concentratie buiten het gebouw tijdens het spitsuur) en de CO-pieken verdwijnen snel.

Toereikende natuurlijke ventilatie, richtlijnen  Ontoereikende natuurlijke ventilatie
Open parkings: de openingen stemmen overeen met 1/3 van het muuroppervlak
Parkings van woningen of kantoren met minder dan 50 plaatsen: 0,15 m2 opening per plaats
Parkings van bestaande woningen of kantoren: de openingen stemmen overeen met 5% van het muuroppervlak
Opteer in dat geval voor een mechanische ventilatie:
200 m3/u per plaats
  • Ontwerp het systeem zodanig dat een volledige verversing van de lucht in de parking verzekerd is en dat elke stagnatie van gassen, zelfs lokaal, vermeden wordt.
  • Ventileer de parking zodanig dat de atmosfeer nooit toxisch of explosief wordt: de gemiddelde concentratie aan koolstofmonoxide blijft onder normale gebruiksomstandigheden onder de drempel van 90 ppm over een periode van 15 minuten.
  • Installeer het ventilatiesysteem zodanig dat een gemakkelijk onderhoud verzekerd is.
  • Voor de nieuwe ventilatoren: ze hebben een variabele snelheid over een bereik van 50% van hun vermogen.
    De ventilatiegroepen zijn voorzien van een identificatieplaatje waarop de naam van de fabrikant, het jaar van fabricage en de technische gegevens vermeld staan.

Activering van het ventilatiesysteem

  • Koppel het ventilatiesysteem ofwel aan de gebruiksuren van de parking, ofwel aan de opening van de deuren en de verlichting, ofwel aan een CO-detectiesysteem. 

    Het is niet altijd nodig om permanent mechanisch te ventileren. Omwille van energiebesparingsredenen is het beter dat het ventilatiesysteem zich op bepaalde momenten voor een bepaalde tijd automatisch activeert.

    Voor de parkings van categorie 1 of de kleine parkings van categorie 2 (max. 50 plaatsen), hebt u de keuze met betrekking tot de activering van het ventilatiesysteem. Voor de grote parkings van categorie 2 bent u verplicht om het ventilatiesysteem met een CO-detectiesysteem te verbinden.

    Categorie 1 - woningen

    Het ventilatiesysteem begint op volle kracht te werken (200 m³/uur per parkeerplaats):
    - ofwel volgens een klokprogrammering die rekening houdt met het tijdschema van de gebruikers en een rationeel energiegebruik. De klok dient zodanig uitgerust te zijn met een batterij, dat het systeem ook na een stroompanne blijft werken;
    - ofwel automatisch, gedurende 15 minuten, na het sluiten van de deuren of het doven van de verlichting (gekoppelde systemen). U mag de ventilatie alleen met de verlichting verbinden, als dit laatste systeem zelf verbonden is met een tijdschakelaar.

    Categorie 1 - kantoren en hiermee gelijkgestelde gebouwen

    Het ventilatiesysteem begint op volle kracht te werken (200 m³/uur per parkeerplaats):
    - ofwel volgens een klokprogrammering die rekening houdt met het tijdschema van de gebruikers en een rationeel energiegebruik. De klok dient zodanig uitgerust te zijn met een batterij, dat het systeem ook na een stroompanne blijft werken;

    - ofwel automatisch, gedurende 15 minuten, na het sluiten van de deuren of het doven van de verlichting (gekoppelde systemen - opgelet, tijdschakelaar verplicht om de ventilatie aan de verlichting te mogen koppelen);
    - ofwel automatisch, gedurende 15 minuten, zodra één van de CO-detectiesensoren een momentane concentratie van 50 ppm meet.
    Los van deze automatische activering door de CO-detectoren, moet alle lucht ook minstens één keer per dag volledig ververst worden.

    Categorie 2 - handelszaken en publieke parkings met minder dan 50 plaatsen

    Het ventilatiesysteem begint op volle kracht te werken (200 m³/uur per parkeerplaats):
    - ofwel volgens een klokprogrammering die rekening houdt met het tijdschema van de gebruikers en een rationeel energiegebruik. De klok dient zodanig uitgerust te zijn met een batterij, dat het systeem ook na een stroompanne blijft werken;
    - ofwel automatisch, gedurende 15 minuten, na het sluiten van de deuren of het doven van de verlichting (gekoppelde systemen - opgelet, tijdschakelaar verplicht om de ventilatie aan de verlichting te mogen koppelen);
    - ofwel automatisch, gedurende 15 minuten, zodra één van de CO-detectiesensoren een momentane concentratie van 50 ppm meet.
    Los van deze automatische activering door de CO-detectoren, moet alle lucht ook minstens één keer per uur volledig ververst worden.

    Categorie 2 - handelszaken en publieke parkings met meer dan 50 plaatsen
    Het - per niveau berekende - vermogen op volle kracht van het luchtafvoersysteem moet minstens gelijk zijn aan 200 m³/uur per parkeerplaats.
    Tijdens uren dat de parking gebruikt worden, moet de luchtafvoer minstens 60 m3/u per plaats bedragen.  Het mechanische ventilatiesysteem zorgt voor deze luchtverversing, als de natuurlijke ventilatie niet volstaat.

    Het ventilatiesysteem begint te werken, zodra de luchtkwaliteit van de parking dit vereist. Deze kwaliteit wordt voor elk niveau gemeten door CO-detectiesensoren. Het ventilatiesysteem is verbonden met de detector en begint automatisch gedurende 20 minuten op volle kracht te werken:

    • ofwel zodra de momentane concentratie aan één van de sensoren meer dan 90 ppm bedraagt;
    • ofwel zodra de gemiddelde concentratie van de verschillende sensoren van een niveau gedurende 15 minuten meer dan 50 ppm bedraagt.

    U moet de meetresultaten registreren en minstens 48 uur lang bewaren. Het toestel of de detectiecentrale moet de overschrijdingen in de eigen historiek opslaan: u dient het jaarlijkse overzicht van de overschrijdingen gedurende 2 jaar bij te houden.

    Als de overschrijdingen zich frequent of regelmatig voordoen, dan:

    • moet u uw detectie- en ventilatiesysteem onmiddellijk laten controleren;
    • moet u de resultaten van de controle en de eventuele werken in uw onderhoudsregister documenteren;
    • moet u de overheid die verantwoordelijk is voor uw toelating of vergunning (uw gemeente of Leefmilieu Brussel), hiervan op de hoogte brengen, als de overschrijdingen nadien nog steeds frequent voorkomen, en aanpassingen voorstellen.

    Opmerking: als u ventilatoren van meer dan 20.000 m³/u gebruikt voor het verzekeren van de dagelijkse ventilatie, dan moet u bijkomende voorwaarden naleven.

  • Voor de grote parkings van categorie 2 installeert u een CO-detectiesysteem. 

    Voor de nieuwe parkings van categorie 2 met meer dan 50 plaatsen is een CO-detectiesysteem verplicht. Voor de andere parkings beslissen we geval per geval of we een dergelijk systeem al dan niet opleggen. Daarbij baseren we ons voornamelijk op de natuurlijke ventilatie van de parking en de voertuigbewegingen.

    Voor het koolstofmonoxidedetectiesysteem (CO) gelden de volgende instructies:

    • Zorg voor een continue meting van de koolstofmonoxideconcentratie aan de hand van een installatie met vaste toestellen;
    • Zorg voor een oordeelkundige plaatsing van een toereikend aantal sensoren in functie van de configuratie van de ruimten (maximum 400 m2 bestreken door een sensor);
    • Plaats de sensoren op 1,50 m hoogte;
    • Plaats de sensoren op gemakkelijk toegankelijke locaties:
      • uit de buurt van elke luchtverstoringsbron (toegangsdeuren, openingen, af- of toevoerinrichtingen, ...);
      • waar ze beschermd zijn tegen trillingen of snelle temperatuurschommelingen die het elektronische circuit zouden kunnen beschadigen;
      • op minstens 2 meter afstand van een hoek of hoekpunt;
    • Bescherm de sensor tegen elke mechanische schade, zonder de doeltreffendheid ervan te verminderen;
    • Leef strikt de aanbevelingen van de fabrikant na.
  • Mocht het activeringssysteem uitvallen, moet de mechanische ventilatie automatisch tegen vol vermogen beginnen te werken en dat blijven doen, totdat het activeringssysteem gerepareerd is. 
  • Laat de mechanische ventilatie niet onnodig werken, dit om energie te besparen.

Luchtafvoer

  • De verontreinigde lucht wordt verticaal afgevoerd op minstens 8 meter afstand van vensters of luchtopeningen en dat tegen een voldoende snelheid om de buurt of voetgangers niet te hinderen.
    Voor de nieuwe parking: de lucht moet via het dak worden afgevoerd.   

    Uw milieuvergunning kan u de toelating geven om elders lucht uit te stoten dan ter hoogte van het dak, mits de vervulling van bepaalde voorwaarden:

    Buiten een binnenterrein van een huizenblok:

    • De emissie gebeurt op een niet-hinderlijke plaats (niet tegen voetgangers aan, noch op een voetpad, ...);
    • De emissie gebeurt op minstens 8 meter afstand van een raam of een luchtinlaat.

    Op een binnenterrein van een huizenblok:

    • Het binnenterrein is langs minstens 2 kanten open;
    • Er bevindt zich geen ziekenhuis, school, woning of andere gevoelige functie op het binnenterrein.

    Om deze afwijking te verkrijgen, moet u ze wel officieel aanvragen. Ze wordt niet automatisch toegekend.

  • De deuren en ventilatiebuizen zijn voldoende lucht- en rookgasdicht. 
  • De ventilatiebuizen zijn niet uitgerust met een afsluitsysteem (met uitzondering van brandwerende systemen, zoals zwelroosters of brandwerende kleppen).

Toevoer van verse lucht

  • Zorg voor de toevoer van verse lucht via een toereikend aantal goed verspreide verluchtingsopeningen.
  • Voorzie de buitenluchtinlaten op plaatsen waar de lucht van goede kwaliteit is, uit de buurt van de openingen waarlangs verontreinigde lucht wordt afgevoerd. 
  • Gebruik geen lucht van de parking zelf om andere ruimten te ventileren met uitzondering van aanpalende technische lokalen, op voorwaarde dat er niemand in verblijft.
  • Voorzie in een onafhankelijke ventilatie van de exploitatie- of toezichtslokalen en zorg ervoor dat ze zich in overdruk bevinden ten opzichte van de parking.

    Er kan u eventueel een afwijking worden toegekend op de verplichting om deze gebruikte lokalen in overdruk te zetten. Dat kan echter alleen voor een al bestaande situatie, waar gebleken is dat dit geen probleem vormt (meting van de luchtkwaliteit in de lokalen, geen klachten, ...).

    Om de afwijking te verkrijgen, moet u ze wel officieel aanvragen. Ze wordt niet automatisch toegekend.

Voor de parkings met mechanische luchtverplaatsing

  • Zie erop toe dat de lucht van de parking niet tot in de trappenhuizen/liftkokers, noch tot in het gebouw doordringt: respecteer de eisen van uw vergunning. 

    Om erop toe te zien dat de lucht van de parking niet tot in de trappenhuizen/liftkokers, noch tot in het gebouw doordringt, kunnen we de verplichting opleggen dat:

    • ofwel de luchtafvoer tegen een hoger debiet gebeurt dan de luchttoevoer en dat de respectieve inrichting begint te werken, zodra er lucht wordt aangeblazen;
    • ofwel dat er overgedimensioneerde openingen en scheidingselementen (sas tussen de parking en de trappenhuizen en deur tussen het trappenhuis en de rest van het gebouw) worden voorzien bij een natuurlijke luchtuitlaat.

    Op deze manier wordt de parking niet in overdruk gezet. In sommige gevallen kunnen we ook vragen dat de sassen in overdruk worden gezet ten opzichte van de parking, zodat de luchtstroom zich naar de parking toe begeeft bij het openen van de deur.

Voor de nieuwe boxen

  • Voorzie elke individuele box van een ventilatieopening van minstens 0,5 m² die in verbinding staat met buiten of met de rijweg van de parking (in dat geval wordt de opening in de bovenste helft van de wand of deur aangebracht).

Top

b. Het gebruik van de parking

Parkeerplaatsen

  • Houd u aan het door uw vergunning toegelaten aantal parkeerplaatsen.
  • Respecteer het gebruik dat in uw vergunning voor de plaatsen is voorzien: uw vergunning laat dit gebruik enkel daar toe.
  • Maak uitsluitend gebruik van de parking om voertuigen te parkeren, tenzij uw vergunning uitdrukkelijk andere vormen van gebruik toelaat. 
  • Voor de gemengde parkings: respecteer het gedeelte van de plaatsen dat is voorbehouden voor de woningen en de kantoren/handelszaken.
    Zorg voor een visueel onderscheid tussen deze plaatsen in de parking en de andere (bv. door een andere vloermarkering).

LPG-voertuigen

  • Verbied de toegang voor LPG-voertuigen, tenzij uw parking voldoet aan het LPG-besluit.

    Om LPG-voertuigen te kunnen toelaten tot een overdekte parking of tot een bepaald deel van de parking, moet u de maatregelen voor de preventie van brand en ontploffing respecteren, die worden vastgelegd door het LPG-besluit van 17 mei 2007.

    Zo dient u met name te beschikken over:

    • een detectiesysteem voor LPG-gas;
    • een auditief en visueel alarmsysteem;
    • een ventilatiesysteem in overeenstemming met de specifieke LPG-eisen;
    • parkeerplaatsen die zijn voorbehouden aan LPG-voertuigen (tenzij uw volledige parking aan het besluit voldoet).

    Verder moet u ook toezien op het correcte en regelmatige onderhoud van deze installaties en dient u ervoor te zorgen dat de bewegwijzering duidelijk aangeeft, waar de plaatsen voor LPG-voertuigen zich precies bevinden.

    Als u LPG-voertuigen van uw parking gebruik wilt laten maken, dient u dat in uw vergunningsaanvraag te signaleren.

Elektrische voertuigen

Als uw parking over laders voor elektrische voertuigen beschikt:

  • Bescherm de laders tegen schokken.
  • Plaats ze op een goed geventileerde locatie (hoge ventilatie) om te voorkomen dat er zich een explosieve mengeling van waterstof en zuurstof kan vormen.
  • Voorzie een aangepaste blusinrichting (CO2).
  • Onderhoud de laders volgens de eisen van het AREI.
  • Gebruik geen gelijkstroomladers. 

Opslagverboden

  • Sla geen brandbare producten of recipiënten op, die ontvlambare stoffen (oplosmiddelen, brandstof, ...) bevatten, in de parking of in de boxen.
  • Sla geen archieven op in de parking.
  • Plaats geen vuilniszakken of afvalcontainers in de parking. 

    Als de DBDMH hiermee instemt, kunt u een afwijking verkrijgen voor de opslag van afvalcontainers in de parking. In dat geval dient u de volgende voorwaarden na te leven:

    • De containers mogen niet groter zijn dan 1.100 liter;
    • Ze moeten bestemd zijn voor huishoudelijk afval, PMD (blauwe container) en papier/karton (gele container);
    • Ze mogen het voetgangers- en autoverkeer niet hinderen;
    • Ze moeten zich op locaties bevinden, die duidelijk zijn aangegeven door vloermarkeringen;
    • Ze dienen zich op een goed verluchte en propere plaats te bevinden en moeten zelf regelmatig schoongemaakt worden;
    • Het moet om gesloten containers gaan om te vermijden dat er dieren in kruipen;
    • In de onmiddellijke omgeving ervan dienen zich twee brandblussers te bevinden. Deze moeten jaarlijks onderhouden en gecontroleerd worden. 

Top

c. De nooduitgangen en de toegangen

Nooduitgangen  

De voor de nooduitgangen geldende normen zijn vastgelegd in het besluit van 19 december 1997. Alle gebouwen die na deze datum werden opgetrokken, dienen er dan ook aan te voldoen. Voor oudere gebouwen bekijken we de situatie geval per geval, in samenspraak met de DBDMH, en leggen we specifieke eisen vast in de milieuvergunning.

  • Voorzie voldoende nooduitgangen: minstens 2 per niveau (onder bepaalde voorwaarden kan de helling als nooduitgang dienen voor het niveau -1).
    Vanaf eender welk punt in de parking moet er zich op maximum 45 meter afstand een nooduitgang bevinden.
  • Doe de vluchtwegen die naar buiten leiden (toegangen tot de trappen, uitgang van het gebouw, ...), niet op slot, wanneer de parking in gebruik is.    

    Een vergrendeling wordt uitzonderlijk toegestaan, als:

    • het om een bestaand gebouw gaat;
    • de deur naar een privatieve woninggang leidt;
    • elke gebruiker van de parking over de sleutel van de nooduitgang beschikt (identieke sleutel voor alle nooduitgangen);
    • er geen andere inrichting mogelijk is.

    Als u niet al deze voorwaarden naleeft, mag u de deuren van de nooduitgangen nooit op slot doen; u dient dan andere inrichtingen te voorzien om een vergrendeling van de deur te voorkomen.

    Als u een nieuw gebouw optrekt, moet u erop toezien dat de evacuatiewegen van de parking niet langs een privatieve woninggang leidt.
     

    De deuren kunnen uitgerust zijn met een drukknop of een magnetisch systeem dat zich automatisch vergrendeld in geval van brand of bij een stroompanne. Ze worden dan niet beschouwd als zijnde 'op slot'.

  • Voorzie nooduitgangen van minstens 0,80 meter breed.
  • Maak het fysiek onmogelijk om voor de nooduitgangen te parkeren: plaats blokken, voorzie een voetpad, enz.  
  • Duid de uitgangen aan met behulp van pictogrammen: vanaf eender welk punt in de parking moet er een pictogram zichtbaar zijn.

In- en uitgangen

  • Als de ingang is uitgerust met een slagboom of een ander obstakel, voorzie dan, indien nodig, een wachtzone, zodat de auto's het verkeer op de voetpaden of de weg niet hinderen.
  • Voorzie voldoende en oordeelkundig verspreide uitgangen om een gemakkelijke evacuatie en een snelle toegang voor de hulpdiensten mogelijk te maken.
  • Houd de hellingen en de in- en uitgangen (zowel de berijdbare als die welke in geval van nood gebruikt moeten worden) volledig vrij: geen enkel voertuig mag de toegang ertoe blokkeren of hinderen.
  • Als de zichtbaarheid slecht is of de helling steil, installeer dan spiegels om de veiligheid van de voetgangers op het voetpad te verzekeren.

Top

d. Het verkeer

Voetgangersverkeer

  • Voorzie voetgangerstoegangen van minstens 0,80 meter breed naar de uitgangen en de lokalen die aan de parking grenzen (met uitzondering van individuele kelders).
  • Baken deze gangen af en beveilig ze door middel van een fysieke scheiding (barrière, muurtje, ...).
  • Voorzie in de voetgangerszones een minimale afstand tot de vloer van 2 meter voor hangende obstakels (balk, leiding, koker, ...), behalve voor structurele elementen van bestaande parkings.
  • Voor de niveaus met meer dan 50 plaatsen: voorzie beveiligde voetpaden en markeer ze op de vloer (gedifferentieerde markering).
  • Voor de grote parkings (publieke parkings > 50 plaatsen en handelszaken > 200 plaatsen): zorg voor een fysieke afscheiding van de voetpaden ter hoogte van de hellingen en bochten door middel van een barrière, een muurtje, enz.   

Autoverkeer

  • Voorzie de hellingen van een schokbestendige borstwering, als de voertuigen naar beneden kunnen vallen.
  • Als de parking lange rechte lijnen bevat, plaats dan verkeersdrempels.
  • Vraag het advies van de DBDMH voor de installatie van een autolift.  U dient misschien een wachtzone in te richten en strengere eisen op het vlak van ventilatie te respecteren.
  • Het manoeuvre om een parkeerplaats in of uit te rijden, mag hooguit de verplaatsing van één ander voertuig vereisen.  

    Als de parking beheerd wordt door hotelbedienden en er meer dan 2 plaatsen achter elkaar zijn, kunt u afwijking aanvragen.

Top

e.  De markeringen en de bewegwijzering

Zones en uitgangen

  • Baken de parkeerplaatsen en de laad-/loszones duidelijk af door middel van een markering op de vloer of via een andere vaste inrichting.
  • Gebruik verschillende markeringen om gemakkelijk het onderscheid te maken tussen de verschillende types van plaatsen.
  • Voorzie een gedifferentieerde markering op de vloer om elke vorm van parkeren te vermijden, die de toegang tot de hellingen, de berijdbare in- en uitgangen en de brandblusapparaten hindert.  
  • Maak het fysiek onmogelijk om voor de nooduitgangen te parkeren: plaats blokken, voorzie een voetpad, enz.  

Uithanging van de verbodsregels

  • Hang het verbod om de motor te laten draaien van een stilstaand voertuig, voluit geschreven uit. 
  • Plaats 'Verboden te roken'-pictogrammen.
  • Hang aan de ingang het verbod uit voor LPG-voertuigen om gebruik te maken van de parking, als uw parking niet voor dit type van voertuigen is uitgerust.

Geleidingssysteem

  • Voor de grote parkings (publieke parkings > 50 plaatsen en handelszaken > 200 plaatsen): installeer een geleidingssysteem dat minstens aangeeft of er nog plaatsen vrij zijn en op welke verdieping. 

Top

f.  De brandbestrijdingsmiddelen en de voorzieningen tegen luchtverontreiniging

Op het vlak van brandpreventie

  • Installeer op oordeelkundig gekozen locaties draagbare brandblusapparaten gevuld met 6 kg ABC-poeder en voorzien van het BENOR-label: minimum 1 brandblusser per 10 parkeerplaatsen   (tenzij de DBDMH u strengere verplichtingen heeft opgelegd).  
  • Respecteer de voorgeschreven minimale brandwerendheid voor de deuren en wanden.

    De normen met betrekking tot de brandwerendheid van de deuren en wanden werden vastgelegd in het besluit van 19 december 1997. Alle gebouwen die na deze datum werden opgetrokken, dienen er dan ook aan te voldoen. Voor oudere gebouwen bekijken we de situatie geval per geval en leggen we specifieke eisen vast in de milieuvergunning.

    Voor alle gebouwen opgetrokken na 1997 :

     

    Brandweerstand van de wanden

    Brandweerstand van de deuren

    Hoge gebouwen (> 25 m)                   

    2 uur Een sas met 2 deuren, elk ½ uur

    Middelhoge gebouwen    (10 m < h < 25 m)

    1 uur  Een sas met 2 deuren, elk ½ uur

    Lage gebouwen  (< 10 m) 

    1 uur ½ uur
  • De leidingen, kokers en ventilatieroosters tussen de parking en de aangrenzende lokalen zijn uitgerust met brandwerende kleppen of smeltroosters die eenzelfde minimale brandwerendheid hebben als de deuren en wanden.
  • Maak geen openingen tussen de deuren en wanden van de evacuatiewegen, zelfs niet wanneer deze met smeltroosters zijn uitgerust.
  • Als u werken aan de wanden van de parking verricht, zie er dan op toe dat deze hun brandwerendheid handhaven of verbeteren.
  • Voor de grote parkings (publieke parkings > 50 plaatsen en handelszaken > 200 plaatsen): installeer een auditief en visueel alarmsysteem dat het bevel geeft om alle verdiepingen te evacueren in geval van brand of bij een ander incident.  

    De alarmposten moeten:

    • voldoende talrijk en oordeelkundig verdeeld zijn;
    • gemakkelijk toegankelijk zijn;
    • duidelijk aangegeven zijn;
    • goed functioneren en goed onderhouden zijn.

Ter voorkoming van bodemverontreiniging

  • Opteer voor een vloerbedekking in sterke materialen die voldoende glad zijn om een gemakkelijke reiniging toe te laten en die een verontreiniging van de bodem voorkomen.
  • Voorzie een voorraad aan absorberend materiaal (zand, zaagsel, ...) op een zichtbare plaats van de parking om onmiddellijk elk accidenteel olie- of brandstoflek aan te pakken.

Top

g. De verlichting en de verwarming

  • Voorzie voldoende verlichting, zodat de gebruikers zich kunnen verplaatsen en gemakkelijk de uitgangen kunnen vinden.
  • Als u schakelaars installeert, dienen deze voorzien te zijn van indicatielampjes.
  • Installeer een noodverlichting die aan de geldende normen voldoet. 

    Normen: NBN EN 1838, NBN C71-100 en EN 60589-2-22 of eender welke andere norm die gelijkwaardige garanties biedt.

  • Verwarm de parking niet, tenzij met behulp van een systeem dat de van het gebouw afkomstige lucht recycleert.  

    Uw milieuvergunning kan u toelaten om systemen te installeren om de parking vorstvrij te houden. 

 

Datum van de update: 06/09/2018