U bent hier

Uw stookplaats: kenmerken en uitrusting (professionnels)

 

a. Brandpreventie 
b. Uitrusting en toegang
c. Ventilatie
d. Schoorsteen
e. Opslag van nieuwe olie en afvalolie

 

a. Brandpreventie

  • Leef de brandwerendheidsnormen na voor de wanden en deuren van de stookplaats. Volg echter steeds het advies van de DBDMH en andere wetgeving wanneer die strenger zijn.
    • De deur tussen de stookplaats en de rest van het gebouw heeft een brandweerstand van minstens een halfuur: EI130.
    • De wanden van de stookplaats, vloer en plafond inbegrepen, hebben een brandweerstand van minstens 1 uur: (R)EI60.

De brandwerendheidsnormen zijn niet van toepassing indien:

  • de deuren rechtstreeks naar buiten leiden;
  • de stookplaats zich op het dak bevindt.

De normen voor deuren gelden uitsluitend voor de deuren tussen de stookplaats en de rest van het gebouw. Ze gelden dus niet voor de deuren die naar buiten leiden.

Veiligheid

  • Zorg voor een veiligheidsvoorziening buiten de stookplaats (of dicht bij de deur) om de energietoevoer (elektriciteit en brandstof) naar de installatie af te sluiten  

    U kunt een gemotiveerde aanvraag tot afwijking indienen bij Leefmilieu Brussel wanneer u vooraf de toestemming van de DBDMH hebt bekomen.

  • Zorg voor brandblusapparaten en brandkranen, eventueel in overleg met de DBDMH. Laat die elk jaar nakijken.
  • Plaats niets voor de deuren, die automatisch moeten sluiten.

b. Uitrusting en toegang

Uitrusting

  • Warmtekrachtkoppelingsinstallaties zijn zodanig ontworpen en ingericht dat ze gemakkelijk toegankelijk zijn voor hun regelmatige inspectie en onderhoud en voor alle werkzaamheden zoals demontage of reparatie.

Toegang tot de ruimte

  • Alleen gekwalificeerd technisch personeel mag toegang hebben tot de ruimte waar de warmtekrachtkoppelingsinstallaties zich bevinden.
  • Plaats een affiche met 'beperkte toegang' op de toegangsdeur van de stookplaats.

c. Ventilatie

  • Ventileer de stookplaats naar buiten toe (open lucht) door middel van een hoge en lage ventilatie om:  

    U kunt een gemotiveerde aanvraag tot afwijking van deze ventilatienorm indienen bij de bevoegde instantie (Leefmilieu Brussel of de gemeente). In dat geval moet u de prestaties van de door u voorgestelde alternatieve ventilatie in detail beschrijven.

    • de toevoer van verse lucht te verzekeren;
    • een goede verbranding en dus een goede energie-efficiëntie te waarborgen;
    • een gepaste afvoer van de afvoerlucht en de warmte mogelijk te maken;
    • de risico's op brand te verminderen.
  • Voor de berekening van de ventilatiedoorsneden moet rekening worden gehouden met:
    • de aanbevelingen van de technische fiche van de warmtekrachtkoppelingsinstallatie betreffende de nodige luchtstromen voor de verbranding en de koeling van de motor; en
    • ketels of andere stookinstallaties die aanwezig kunnen zijn in de stookplaats.
  • De ventilatieleidingen zijn:
    • De ventilatieleidingen zijn:
    • vervaardigd uit niet-brandbare materialen.
  • De leidingen, kokers, ventilatieroosters langs waar de stookplaats in verbinding staat met aanpalende ruimtes, zijn voorzien van brandkleppen of brandwerende roosters met een even lange brandweerstand als de wanden of de deuren.
  • De ventilatieroosters en -leidingen mogen in geen geval worden afgesloten.

d.  Schoorsteen

  • De afvoer van lucht gebeurt via luchtdichte buizen.
  • De verbrandingsgasafvoeren bevinden zich:
  • verticaal op het dak
  • op minstens 8 meter afstand van elk raam of elke luchttoevoeropening.    

    Tenzij uw milieuvergunning expliciet een andere uitloop toestaat.

  • De verbrandingsgasafvoeren mogen in geen geval hinder voor de voetgangers en de buurt opleveren.

e.  Opslag van nieuwe olie en afvalolie  

Het betreft olie die afkomstig is van de smering van de warmtekrachtkoppelingsmotor.

Voor de nieuwe warmtekrachtkoppelingsinstallaties:

  • Voor de nieuwe warmtekrachtkoppelingsinstallaties mag de stookplaats geen opslagplaats voor oliën, ontvlambare vloeistoffen, brandbaar materialen of voorwerpen bevatten die schadelijk kunnen zijn voor de goede werking van de installaties.  

    U kunt een gemotiveerde aanvraag tot afwijking indienen bij Leefmilieu Brussel wanneer u vooraf de toestemming van de DBDMH hebt bekomen.

  • In het geval van een afwijking moet u op de toegangsdeur tot de stookplaats de hoeveelheid en het type opslag aangeven.

Voor de bestaande warmtekrachtkoppelingsinstallaties:

  • Voor de bestaande warmtekrachtkoppelingsinstallaties zijn opslagplaatsen voor nieuwe of gebruikte oliën met een maximale capaciteit van 400 liter toegelaten in de stookplaats.  

    Tenzij de DBDMH strengere voorwaarden oplegt.

  • Als u de wanden van de stookplaats wijzigt of de installaties verplaatst, moet u de opslag van de olie afscheiden van de stookplaats.
  • U moet op de toegangsdeur tot de stookplaats de hoeveelheid en het type opslag aangeven.

Voor alle warmtekrachtkoppelingsinstallaties

  • Laat nooit afvalolie in of op de bodem, in de oppervlaktewateren, in het grondwater, in de riolen, de afvoerleidingen, de collectoren of op om het even welke plaats lopen waar ze milieuverontreiniging kan veroorzaken.
  • Zorg ervoor dat in de buurt van de opslagplaats middelen aanwezig zijn om verdere verspreiding van de olie tegen te gaan, zoals houtzaagsel of andere absorberende producten. Die middelen dienen onmiddellijk te worden ingezet.
  • Om nieuwe olie en afvalolie in verplaatsbare recipiënten op te slaan, moet u:
    • de olie in gesloten en lekdichte recipiënten plaatsen, zoals vaten, die voor dit gebruik bestemd zijn;
    • de recipiënten opslaan op een voldoende verluchte plaats, op een afstand van installaties die warmte afgeven of installaties die vonken of naakte vlammen voortbrengen;
    • deze recipiënten plaatsen in een inkuiping die voldoende stevig en ondoorlatend is om de olie op te vangen die wegloopt in het geval een recipiënt die in deze inkuiping is geplaatst zou scheuren;  

      De inkuiping van de tanks en verplaatsbare recipiënten voldoet aan de volgende voorwaarden:

      1° De inkuiping moet een op elk moment gewaarborgde inhoud hebben van:
      - ten minste 110% van het grootste recipiënt of de grootste tank die ze bevat en
      - ten minste een kwart van de totale inhoud van alle recipiënten of tanks die ze bevat.

      2° De inkuiping moet voldoende stevig en ondoorlatend zijn om de olie op te vangen die wegloopt in het geval een recipiënt of een tank die in deze inkuiping is geplaatst zou scheuren.

      3° De inkuiping mag niet aangesloten zijn op de riolering.

      4° Er moeten voorzieningen worden getroffen om te vermijden dat regenwater en afvloeiend hemelwater in de inkuiping terechtkomt, bijvoorbeeld een luifel of een dak.

      5° De inkuiping moet op zodanige wijze worden gebouwd dat een visuele controle van de hele opslagruimte mogelijk is.

    • de olierecipiënten vullen of leegmaken boven een inkuiping om te voorkomen dat de olie per ongeluk in de riolering terechtkomt;
    • de inkuiping in goede staat houden en regelmatig de ondoorlatendheid ervan controleren;
  • Het volume van de inkuiping mag niet worden verkleind door er andere materialen in op te slaan.
  • Om nieuwe olie en afvalolie in tanks op te slaan, moet u:
    • bovengrondse enkelwandige tanks gebruiken die in een inkuiping zijn geplaatst, ofwel dubbelwandige tanks die zijn uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem;  

      De dubbelwandige tanks moeten voldoen aan de volgende minimumeisen:

      1° Ze worden beschermd door een - eventueel gedeeltelijk - omhulsel, dat een gesloten ruimte vormt waarin een interstitiële vloeistof kan rondstromen die wordt gebruikt:
      - om eventuele lekken in de binnenste tank of het buitenste omhulsel op te sporen;
      - of waarin een voorziening kan worden geplaatst om lekken op te sporen.

      2° De gekozen vloeistof mag het staal of het plastic van het omhulsel niet aantasten en mag niet stollen bij de laagste te verwachten wintertemperaturen.

      3° Het permanent lekdetectiesysteem is op zodanige manier ontworpen dat dit een alarmsignaal genereert dat hoorbaar is voor de verantwoordelijke van de installatie wanneer:
      - er olie aanwezig is of
      - de druk of het niveau van de interstitiële vloeistof schommelt.

    • de tanks vullen of leegmaken onder permanent toezicht om onmiddellijk te kunnen ingrijpen indien zich een probleem voordoet.
  • Voor alle hulpuitrustingen van de tanks:
    • installeer leidingen om de tanks te vullen en leeg te maken die zo zijn ontworpen dat een perfecte ondoorlatendheid van de leidingen, koppelingen en kranen is gegarandeerd;
    • rust de hulpuitrustingen uit met een toestel, bijvoorbeeld een afsluitklep, dat het mogelijk maakt om het verlies van olie te beperken wanneer de leidingen breken;
    • plaats de peilmeters aan de buitenkant boven de inkuiping;
    • plaats de openingen en verbindingsstukken op het bovenste gedeelte van de tank en in elk geval boven het hoogste niveau van de vloeistof die erin zit.
  • Voor afvalolie:
  • Het is verboden om afvalolie te verbranden.
Datum van de update: 17/09/2021