U bent hier

FAQ

Onderstaande FAQ’s zijn hulpmiddelen om de audit beter te begrijpen of gedragslijnen in verband met de methodologie van de audit. Deze informatie geeft de algemeen te volgen werkwijze aan, zonder rekening te houden met bijzondere gevallen. Die laatste moeten rechtstreeks met Leefmilieu Brussel worden besproken.

1. Welke zijn de aandachtpunten om (een bestek voor) een audit uit te voeren ? 

U bereidt een bestek of een contract voor om een audit te laten uitvoeren? Vergeet niet om de volgende punten te vermelden :

  • Welk type audit hebt u nodig? Een audit voor grote bedrijven of een audit verbonden aan de milieuvergunning?
  • Wat is de bestemming van uw bedrijf? Kantoren, hotel, onderwijs, ziekenhuis, handel, industrie, …? Deze informatie zal het mogelijk maken de aangepaste auditmethodologie te definiëren (zie FAQ 2).
  • Wat is het totale specifieke verbruik van uw bedrijf? Als uw verbruik (elektriciteit + brandstoffen) per m² vloeroppervlakte lager is dan de drempel voor uw bestemming, zoals bepaald in de bijlage van het besluit , kunt u een afwijking vragen op de audit verbonden aan de milieuvergunning (niet geldig voor de audit grote bedrijven).
  • Binnen welke termijnen moet u volgens uw vergunning de audit laten uitvoeren? In het kader van een verlenging van de vergunning zal deze verlenging niet worden afgeleverd als er geen volledige en gevalideerde audit is doorgegeven vóór de vervaldatum van de basisvergunning!

2. Welke methodologie kiezen ? 

Leefmilieu Brussel stelt 3 methoden ter beschikking die overeenstemmen met 3 types ondernemingen met sterk verschillende profielen.
'Process'-methode. Deze methode is bijzonder geschikt voor ondernemingen met een industriële productie.
Bij een dergelijk bedrijf kan de productie van jaar tot jaar verschillen en worden de energiestromen gekenmerkt door vaste en variabele posten. De energieprestaties kunnen dan niet worden opgevolgd op basis van de facturen alleen. Diverse andere indicatoren van de activiteit moeten in aanmerking worden genomen. Meer informatie zie process methodologie.

Doelondernemingen: chemie, voedingsmiddelen, automotive, drukkerijen, technologiesector, metaalnijverheid, ...
Gemengde methode. Deze methode is uitermate geschikt voor ondernemingen uit de tertiaire sector (uitgezonderd kantoren), waar een groot deel van het verbruik afhankelijk is van het zomerklimaat (koeling) en/of waar de dienstverleningsactiviteit van jaar tot jaar kan verschillen.
De energiestromen worden gekenmerkt door vaste en variabele posten. Meer informatie zie gemengde methodologie.
Doelondernemingen: ziekenhuis, winkel, hotel, datacenter, drukkerij ...
Gebouwmethode. Deze methode leent zich uitstekend voor audits van gebouwen waar de verwarming de belangrijkste verbruiker is. Afgezien van het klimaat en de verwachte verbeteringen op het vlak van de energie, verschilt het verbruik van de onderneming weinig van jaar tot jaar. Meer informatie zie gebouw methodologie
Doelondernemingen: kantoren, kinderdagverblijven, scholen, ...

Buiten de bovengenoemde categorieën van ondernemingen moet elke keuze voor een andere methode vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan Leefmilieu Brussel.

Aangezien de proces- en kantooractiviteiten zich op dezelfde site bevinden (bv.: serverlokalen in een kantoorgebouw), zal het aandeel van het primaire verbruik van het proces in het totale verbruik van de TGE bepalend zijn voor de te gebruiken methodologie:

< 30 % gebouw methodologie
Tussen 30 en 70 % gemengde methodologie
> 70 %  process methodologie

Deze percentages zijn indicatieve waarden.

3. QWelke doelstellinge kiezen ? 

De resultaatdoelstelling moet voorrang krijgen wanneer men de process- en de gemengde methoden gebruikt. Bij dergelijke bedrijven kan de activiteit immers van jaar tot jaar verschillen en worden de energiestromen gekenmerkt door een groot aantal variabele posten. Men kan zich in dit geval dus moeilijk met zekerheid verbinden om nauwkeurig omschreven energieverbeteringen te bereiken. Wat vandaag rendabel is, kan dat morgen misschien niet meer zijn omdat het activiteitsprofiel veranderd is. Deze methoden, die het mogelijk maken een betrouwbaar energiemodel op te bouwen met de berekening van de EVE- en EVCO2-indexen, om een doelstelling in % verbetering te bepalen en te controleren of de doelstelling bereikt werd, bieden een toegevoegde waarde die het risico voor de onderneming beperkt.
De middelendoelstelling zal voorrang krijgen wanneer de gebouwmethode wordt gebruikt. Enerzijds omdat er minder kans is dat geen verbetering wordt bereikt, aangezien de activiteit in dergelijke ondernemingen weinig verandert. Anderzijds de methodologie “gebouw” is gericht op de beschrijving van de HVAC-systemen en de analyse van hun werking door middel van metingen in situ, maar bevat geen details over de berekening en de follow-up van de prestatie-indexen EEI en ICO2.

4. Ik ben geen eigenaar/ mijn gebouw is verhuurd: hoe de audit uit voeren ? 

Audit verbonden aan de milieuvergunning:
De perimeter van de energieaudit is de TGE, dat is de perimeter waarop de milieuvergunning (MV) van toepassing is.
De perimeter van de audit is niet verschillend voor respectievelijk huurders en eigenaars. Toch wordt overleg tussen de partijen sterk aangemoedigd, vooral als het om een grote onderneming gaat.

  • Voorbeeld 1:  bij de audit van een winkelgalerij moet rekening gehouden worden met de facturen van alle winkels in de galerij waarop de milieuvergunning betrekking heeft.
  • Voorbeeld 2:  audit van een vestiging in het kader van de vernieuwing van de milieuvergunning: de audit wordt door de houder van de vergunning uitgevoerd en dekt de volledige perimeter van de MV.
  • Voorbeeld 3: In het kader van een vergunningsaanvraag, bij een audit van een site die door verschillende ondernemingen wordt gebruikt, moeten de facturen voor de gemeenschappelijke delen, maar ook die van alle ondernemingen, in aanmerking worden genomen.

Audit voor grote bedrijven :
Een groot bedrijf is verplicht een audit te laten uitvoeren. De houder van de milieuvergunning is niet verantwoordelijk voor de uitvoering van de audit binnen een groot bedrijf. De implicaties van de audit kunnen de houder van de milieuvergunning echter aanbelangen indien het groot bedrijf tevens een grote verbruiker is of indien de houder de vergunning moet vernieuwen.
Elk van de partijen wint er bij om bij de audit betrokken te worden:

  • Een globale audit kost minder en is efficiënter dan een gedeeltelijke audit (per verdieping of zone);
  • Een globale audit maakt verschillende audits van gemeenschappelijke installaties overbodig.
  • Een audit voor grote bedrijven, uitgevoerd op het gehele gebouw, kan gelden als audit in het kader van de milieuvergunning (en omgekeerd). Een groot bedrijf kan de kosten dus delen met de houder van de milieuvergunning. 

Opdat alle actoren de situatie zouden kennen, moet er een voorafgaand overleg  vóór de uitvoering van de audit plaatsvinden tussen het grote bedrijf, de andere gebruikers van het gebouw (mogelijk ook andere grote bedrijven) en de vergunninghouder (die misschien ook een groot bedrijf is). 

Voorbeeld :  audit van een onderneming (grote onderneming) die een deel van een gebouw gebruikt: ongeacht of ze huurder dan wel eigenaar is, moet de onderneming een audit uitvoeren van de perimeter van haar vestigingseenheid, die dus een deel van het gebouw kan zijn. In dit geval zal het echter gaan om een gedeeltelijke audit die de energieaudit van de MV niet kan vervangen aangezien die het volledige gebouw dekt. Net daarom is voorafgaand overleg met de houder van de vergunning en de andere gebruikers van het gebouw noodzakelijk.

5. Wat is de bijzonderheid voor de kleinhandelszaken ? 

Sinds 1 januari 2018 zijn kleinhandelszaken die ingedeeld zijn in rubriek 90 van de lijst van ingedeelde inrichtingen  (d.w.z. waarvan de verkoopslokalen en de lokalen die als warenopslagplaats dienen een totale oppervlakte hebben die groter is dan 1.000 m²), onderworpen aan de auditverplichting in het kader van de aanvraag van hun milieuvergunning als het ook grote verbruikers  zijn.
Met “verkoopslokalen en lokalen die als warenopslagplaats dienen”, wordt bedoeld: de verkoopruimte, de warenopslagplaatsen die niet toegankelijk zijn voor het publiek, de oppervlakte die wordt ingenomen door toonbanken en andere meubelen. Werkplaatsen die niet toegankelijk zijn voor het publiek, aan het personeel toegewezen lokalen en technische lokalen worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de oppervlakte.

6. Wat is de colorische boven- of onderwaarde (CBW of COW) ? 

Het gasverbruik wordt op de facturen uitgedrukt in kWh, in overeenstemming met de calorische bovenwaarde. Het is dus zeer logisch dat de gasverbruikswaarden in de tabellen 4.3.1 en 5.2.3 van de gemengde en de process-methode, en 5.2.1 van het gebouwstramien, worden uitgedrukt in kWhBVW. Dankzij die werkwijze kunnen de facturatiegegevens zonder voorafgaande berekening in de verbruikstabel worden gekopieerd, wat het foutenrisico beperkt.
De berekening van het primaire energieverbruik is gebaseerd op de COW: 1 kWhp = 1 kWhCOW.
De omzetting in primaire energie gebeurt dus met de hiervoor geschikte coëfficiënt: 0,903 kWhp/kWhs voor gas. Voor andere brandstoffen verwijzen we naar de calculator die u ter beschikking is gesteld.

7. Hoe de verbruikpost "diversen" bepalen ? 

Dit punt heeft enkel betrekking op audits van het gemengde of het process-type.
Hoewel de audit wettelijk ten minste 80% van het energieverbruik moet dekken, is het een illusie te geloven dat men een betrouwbaar energiemodel kan opstellen en correcte EVE- en EVCO2-indexen kan berekenen wanneer 20% van het energieverbruik niet duidelijk vastgesteld is. In het kader van een gemengde of procesaudit moet daarom 100% van de perimeter worden gecontroleerd en moet een toepassing “Diversen” worden toegevoegd voor het verrekeningsverschil tussen het totaal van de verbruiksposten en de facturen. Om een correct energetische model te verkrijgen, mogen er geen “diversen” zijn die van jaar tot jaar verschillen. Het verbruik van deze “diversen” moet verdeeld worden over de andere gebruiksvormen, hetzij proportioneel hetzij over de meest significante gebruiksvorm(en). In die omstandigheden zal de auditperimeter dus overeenstemmen met 100% van het verbruik van de site.
Men kan het ontbreken van een analyse voor maximaal 20% van het verbruik verantwoorden op voorwaarde dat in de tabel van de energiestromen duidelijk wordt aangegeven welke aanwendingen overeenstemmen met die 20%, dat deze aanwendingen als een niet-variabele activiteit worden beschouwd en dat er geen rendabele verbeteringen zijn voor deze aanwendingen.
Voorbeeld:  een technische werkplaats.

  • Verbruik van de site 1500 GJp – Factuur 1553 GJp
  • Operationele activiteit: 1350 GJp
  • Niet-gecontroleerde aanwendingen: Administratief gebouw: 150 GJp (nieuw energiezuinig gebouw, condensatieketel) (10%)
  • Post 'Diversen': 53 GJp (3%)

8.Gebrek aan gegevens : hoe kan ik een audit uitvoeren ? 

Het ontbreken van meters of meetgegevens kan in geen geval rechtvaardigen dat geen verbeteringsmaatregelen worden genomen (inclusief op het vlak van de regeling). In dit geval wordt van de auditor verwacht dat hij een beroep doet op zijn ervaring, de normen, de regionale gemiddelden om zijn berekeningshypothesen vast te stellen.
Bij aangetoonde ontoereikendheid van de metingen (bv. geen maandelijkse follow-up van het stookolieverbruik, …) voorziet de auditor in zijn actieplan een verbetering door de invoering van een gedeeltelijke of globale energieboekhouding, zelfs als de verwachte energiebesparing gering is. Dit zal nadien kunnen opgelegd worden in de milieuvergunning.

9. Wanneer en hoe een meetcampagne uitvoeren ? 

Voor de 'gemengde' methode moet een representatieve elektrische en/of thermische meetcampagne worden opgezet voor de gebouwen of de operationele activiteit. De metingen moeten betrekking hebben op ten minste 25% van het verbruik van de site (hoofdstuk 6.3).
De analyse van de kwartuurmetingen of van de gegevens uit de interne boekhouding van de onderneming kan als een meetcampagne worden beschouwd.
In de gebouwaudit is een meetcampagne (eventueel te vervangen door opmetingen, overgenomen uit het GBS) op het verwarmingssysteem gedurende een typeweek met een weekend evenwel essentieel, voor zover ze mogelijk is in de periode van de audit.
Thermische metingen op de verwarmingsleidingen worden bij voorkeur uitgevoerd door middel van een debiet- en temperatuursensor. Temperatuurmetingen alleen kunnen aanvaard worden als het erom gaat storingen in de regeling aan te tonen of stromen met constant debiet te meten.
De auditor moet, bij voorkeur over dezelfde periode, temperatuurmetingen uitvoeren van het toevoerwater en het retourwater in het primaire circuit en van één of meer secundaire toevoerleidingen (met parallel een meting van de buitentemperatuur en van de omgevingstemperatuur). 

10. Welke referentiegraaddagen gebruiken ? 

Doorgaans laat men de verbruikswaarden met betrekking tot de verwarming van het gebouw variëren volgens het klimaat en dus de graaddagen. Hiertoe is het aanbevolen de graaddagen in Ukkel, gepubliceerd door het KMI, te gebruiken (cf. gemengde/process  methode).
De graaddagen 16,5-16,5 worden bij voorkeur gebruikt voor administratieve gebouwen, terwijl de graaddagen 15-15 (of minder) worden aangewend voor productiegebouwen. De auditor kan andere graaddagen voorstellen als die meer aangepast zijn aan de verbruiksgegevens van de vestiging. Voor meer informatie over de normalisering op basis van de graaddagen 15/15, zie de normaliseringsprocedure die on line is geplaatst.
Bij de gemengde en process-methode  hoeven de verbruikswaarden voor verwarming van het referentiejaar niet te worden genormaliseerd. De klimaatimpact voor een volgend jaar zal dus verrekend worden door de activiteitindicator van de toepassing 'verwarming van het gebouw' aan te passen.
Voorbeeld: 

verwarmde oppervlakte in 2016: 600 m² - GD 16,5/16,5 Ukkel: 2330
verwarmde oppervlakte in 2020: 800 m² - GD 16,5/16,5 Ukkel: 2000 (hypothese)
AI Verwarming2016 = 600 * 2330 = 1398 10³m²GD
AI Verwarming2020 = 800 * 2000 = 1600 10³m²GD

11. Hoe rekening houden met hernieuwbare energie ? 

Alleen de geproduceerde en zelf verbruikte energie wordt opgenomen in de tabel van de energiestromen. De hernieuwbare energie die geproduceerd en aan het net of aan een derde doorverkocht wordt, behoort niet tot de perimeter van de audit.
Een onderneming mag projecten voor de productie van hernieuwbare energie, zelfs met lange terugverdienperiodes, gebruiken om haar EVE- of EVCO2-doelstellingen te bereiken in het kader van de vaststelling van een resultaatdoelstelling Op voorwaarde dat de door dit project bespaarde energie en CO2 het equivalent is van de besparingen die gerealiseerd zouden zijn door rendabele energie-efficiëntiemaatregelen.

12. Wordt het verbruik van het vervoer opgenomen in de energieperimeter ? 

Het verbruik van de voertuigen maakt deel uit van de perimeter van het auditproces als deze voertuigen zich uitsluitend op de site verplaatsen, ongeacht of ze gehuurd worden dan wel eigendom zijn van de onderneming.
Goederen- of personenvervoer buiten de site behoort niet tot de perimeter.
Voorbeeld 1:  het verbruik van heftrucks, loopkranen, liften, ... maakt deel uit van de auditperimeter.
Voorbeeld 2:  bedrijfsvoertuigen maken geen deel uit van de auditperimeter.
Voorbeeld 3:  voertuigen voor personenvervoer maken geen deel uit van de auditperimeter van vervoerbedrijven.
Voorbeeld 4:  werfvoertuigen van bouw- of afbraakondernemingen maken geen deel uit van de perimeter.

13. Welke zijn de stappen bij het opmaken van het actieplan ? 

Om een actieplan op te maken moet het bedrijf dus de volgende stappen volgen :

1. Via de organisatie van een  brainstorming, identificeert het bedrijf het geheel van energieverbeteringen die het zou kunnen realiseren in zijn perimeter, los van hun rentabiliteit. Na elke fase wordt de lijst van geïdentificeerde verbeteringen meegedeeld.

2. De verbeteringen die niet haalbaar zijn worden verworpen en gerechtvaardigd. De volgende rechtvaardigingen komen in aanmerking :

  • Technische rechtvaardiging: de voorgestelde technische verbetering is niet mogelijk
    Voorbeeld : De plaatsing van een verwarmingsketel op hout is niet beoordeeld omdat de site plaatsgebrek heeft en niet beschikt over voldoende opslagruimte.
  • Reglementaire of veiligheidsrechtvaardiging: de verbetering kan niet worden uitgevoerd als gevolg van reglementaire of veiligheidsoverwegingen.
    Voorbeelden: Aanwezigheid van een luchthaven in de omgeving voor de plaatsing van een windturbine; afschaffing van de elektrische trading op waterleidingen.
  • Economische rechtvaardiging: de voorgestelde verbetering houdt een risico in voor de eindkwaliteit van de gecommercialiseerde producten.
    Voorbeeld: De temperatuur en de verwarmingstijd van de producten optimaliseren

3. Elk van de haalbare verbeteringen wordt economisch beoordeeld, de hypotheses en berekeningen worden gepreciseerd, de resultaten worden gerapporteerd en:

  • De verbeteringen die rendabel zijn in 3 jaar (resp. 5 jaar) worden opgenomen in het actieplan van de procesaudit (resp. gemengde of gebouwaudit).
  • De verbeteringen waarvan de TVT hoger is dan 9 jaar (resp. 15 jaar) worden uitgesloten uit het actieplan van de procesaudit (resp. gemengde of gebouwaudit), aangezien de onzekerheden te groot zijn om het bedrijf toe te laten de maatregel op betrouwbare wijze in overweging te nemen, behalve als de investering minimaal is (punt 4) en/of de maatregel door de auditor als noodzakelijk wordt beoordeeld (cf. FAQ nr. 15).
  • Voor de verbeteringen waarvan de TVT tussen 3 en 9 jaar ligt (resp. 5 en 15 jaar), wordt de onzekerheid over de besparing en de investering berekend (cf. FAQ nr. 15) om te bepalen welke de rentabiliteitsdrempel is, waarnaar men kan verwijzen, rekening houdend met deze onzekerheid (cf. de gemengde  of gebouwmethodologie ).

4. De verbeteringen waarvan de besparing en de investering klein zijn, kunnen zonder ernstig risico worden opgenomen in het actieplan. Deze verbeteringen stemmen doorgaans overeen met een besparing van minder dan 5% van het verbruik van het bedrijf en met een investering van minder dan 10% van de totale energiefactuur.

5. Voor verbeteringen waarvan de besparing groter is dan 5% van het verbruik van het bedrijf of de investering groter dan 10% van de energiefactuur, kan de auditor voorstellen dat de verbetering slechts wordt opgenomen in het actieplan nadat een haalbaarheidsstudie is uitgevoerd, die buiten het bestek van de audit valt. 

  • Die verbeteringen zullen dan pas in het actieplan worden opgenomen nadat de haalbaarheidsstudie bevestigd heeft dat hun TVT kleiner is dan 3 jaar (resp. 5 jaar voor de gemengde of gebouwmethodologie ). 
  • De haalbaarheidsstudie (waarvan de rentabiliteit niet moet worden becijferd) wordt in het actieplan van de audit opgenomen en zal verplicht worden gemaakt door de milieuvergunning, los van de audit.

14. wat is een efficiënte brainstorming ? 

Een brainstorming maakt het mogelijk om verbeteringsmogelijkheden na te gaan in overleg met alle betrokken personen in het bedrijf. Ze maakt het ook mogelijk te achterhalen hoe de gebruikers van het gebouw dit in de praktijk beleven via denkpistes die kunnen leiden tot energieverbeteringen. Het is ook een manier voor de exploitant om zich de audit eigen te maken.

Na een korte uitleg over de audit (5 min.) moet een actieplan worden opgemaakt met een plausibel doel.

Om efficiënt te zijn moet de brainstorming bepaalde regels naleven :

  1. De geïdentificeerde verbeteringen moeten het mogelijk maken kWh en dus enkel energie te besparen. Besparingen van leidingwater, grondstoffen, personeelskosten of euro’s mogen niet in aanmerking worden genomen.
  2. De geïdentificeerde verbeteringen moeten uiteraard binnen de perimeter van de audit vallen. Verbeteringen op het gebied van woon-werkverkeer komen dus niet in aanmerking.
  3. In een brainstorming zijn er geen slechte ideeën in termen van rentabiliteit : alle ideeën binnen de perimeter van het bedrijf zijn welkom; we oordelen nog niet over de rentabiliteit of de haalbaarheid van de verbetering
  4. De geïdentificeerde verbeteringen moeten voldoende gedetailleerd zijn om het in een latere fase mogelijk te maken de winst en de investering zo nauwkeurig mogelijk te berekenen. De auditor zal er dus voor zorgen een reeks bijkomende vragen te stellen om het voorgestelde verbeteringsidee te verduidelijken.

Concreet:

  • De brainstorming begint met een moment van individuele reflectie. Gedurende 10 minuten noteert iedereen zijn/haar ideeën zonder hierover van gedachten te wisselen met de anderen.
  • De auditor leidt de brainstorming en snijdt achtereenvolgens de voornaamste thema’s aan : HVAC, mantel, processen, verlichting, hernieuwbare energie, REG, enz. Indien nodig herformuleert hij de ideeën om zeker te zijn dat ze goed begrepen zijn. Hij vult de geïdentificeerde verbeteringen aan met zijn eigen observaties en vaststellingen.

15. Hoe de betrouwbaarheid van de verbeteringen inschatten ? 

De auditor zal voorzichtigheidshalve vaak geneigd zijn om de investering licht te overschatten (positieve onzekerheid) en de besparing te onderschatten (negatieve onzekerheid) in een poging om het zogenaamde industrieel risico te evalueren.
Nemen we een verbetering die €150 kost en €50 per jaar opbrengt. Zijn TVT is dus 3 jaar. In de praktijk zal de auditor, die deze verbetering met een onzekerheid van 20% evalueert (zowel voor de investering als voor de besparing), de investering overschatten met 20% (180 €) en de besparing onderschatten met 20% (40 €), waardoor de TVT dus berekend wordt op 4,5 jaar. Een verbetering die in het actieplan wordt opgenomen (TVT 3 jaar), zou niet meer rendabel kunnen zijn als de onzekerheid over de besparing en/of investering te groot worden.

Het is dus essentieel voor alle actoren dat de absolute waarde van de onzekerheden zo klein mogelijk is.
De rentabiliteitsdrempel moet dus worden aangepast in functie van de onzekerheid van een project (zowel wat zijn kostprijs als rentabiliteit betreft) om geen maatregelen uit te sluiten die rendabel zouden kunnen zijn als hun onzekerheid zou worden verfijnd.
Een onzekerheid van 0% is theoretisch en doet zich slechts voor wanneer de verbetering effectief is doorgevoerd (gekende investering) en de besparing gemeten is. In de praktijk is het, in het kader van het auditwerk, gebruikelijk om een werkonzekerheid te tolereren, die we vastleggen op 25%.
De berekening van de drempel wordt dus :

Drempel gecorrigeerd = Drempelref  = (1 - 25% ) * (1 + % I)
                                                          (1 + 25%) * (1 + %E)     

De volgende tabellen bevatten de rentabiliteitsdrempels in cijfers, rekening houdend met een getolereerde absolute onzekerheid voor het project van 25% (zowel voor de besparing als voor de investering) :
Voor de procesmethodologieën

Voorbeeld:
Een project met een onzekerheid van 25% voor de investering en 50% voor de besparing zal in het actieplan van de audit worden opgenomen als zijn TVT lager is dan 4,5 jaar.

Pour les méthodologies mixtes et bâtiment :

Het zou daarentegen niet veel zin hebben om in het actieplan projecten op te nemen waarvan de onzekerheden te groot zijn omdat ze het gevolg zijn van een moeilijkheid om deze projecten te evalueren in het kader van een globale audit. 
Bijgevolg zullen projecten waarvan de berekende TVT drie keer de toegelaten drempelwaarde is, dus 9 jaar in de procesmethodologie en 15 jaar in de gemengde methodologie, uit het actieplan worden uitgesloten.

Voor projecten waarvan de TVT, na berekening van de onzekerheden, tussen 3 en 9 jaar ligt (procesmethodologie) of tussen 5 ent 15 jaar (gemengde en gebouwmethodologie), kunnen zich twee gevallen voordoen :
1. Als de berekende besparing meer dan 5% van het totale jaarverbruik van de entiteit vertegenwoordigt of als de investering meer dan 10% van de som van de jaarlijkse energiefacturen bedraagt, kan een haalbaarheidsstudie voor het project worden uitgevoerd om de hypotheses te bevestigen en het project in het actieplan op te nemen. In dat geval zal deze haalbaarheidsstudie worden aanbevolen door de auditor en opgelegd in de milieuvergunning.
2. In het andere geval zal het project in het actieplan worden opgenomen.