Ecologisch beheerskader Themafiche 29 – Klimplanten

Boskamperfoelie is een van de populairste inheemse klimplanten (Foto: © Michel Fautsch).

1. Waarom?

In de stad bieden de klimplanten die zich aan de gevels en de beschikbare diverse verticale steunpunten in de groene ruimte vasthechten een aanzienlijk potentieel om de natuur te verwelkomen, maar dat is niet alles.

  • Een echte steun voor de biodiversiteit: insecten, vogels, vleermuizen en andere kleine zoogdieren kunnen er een toevluchtsoord vinden of zich er zelfs ontwikkelen, voortplanten of voeden. We kunnen denken aan de vele insecten die gedijen in bijvoorbeeld bosrank of klimop, maar ook aan de mussenkolonies die, vooral in de winter, hun toevlucht zoeken in hun altijd groene en dichte gebladerte.
  • Buiten de groene ruimten is het ook een kans om een zekere ecologische continuïteit te garanderen met deze ruimten en met andere zones die toegankelijk zijn voor de natuur; op sommige plaatsen, waar andere inrichtingen niet mogelijk zijn wegens ruimtegebrek, is het zelfs de enige kans.
  • Het vermogen van klimplanten om lelijke elementen te verbergen maakt hen tot bondgenoten bij het oplossen van esthetische problemen voor weinig geld: een afgeschilferde muur, een buitenreservoir, een vervallen wachthokje of een materiaalopslagplaats, enz. Hun rol bij de verbetering van het stadslandschap kan aanzienlijk zijn. Deze mogelijkheid (geplande onthaalstructuur) moet indien mogelijk worden geïntegreerd in het initiële architectuurproject. 
  • Klimplanten beginnen vanaf de grond en zijn zichtbaar voor de bezoeker van het gebouw, waardoor ze meer opvallen dan andere inrichtingen (bijvoorbeeld een groendak) en dus een belangrijke rol spelen wat betreft welzijn en verbinding met de natuur, het leven en de seizoenen. 
  • Ze maken ook een betere integratie van het gebouw in zijn omgeving mogelijk.
  • Het belang van klimplanten op gevels wordt ook steeds meer bestudeerd wegens hun bijdrage aan de regulering van het microklimaat en de vermindering van stedelijke hitte-eilanden, een betere geluidsisolatie, een vermindering van de geluidshinder en zelfs een vermindering van de luchtvervuiling door het verkeer. De bladeren van de klimop bijvoorbeeld zijn echte verzamelaars van fijnstof. 

Meer informatie In de Gids Duurzame gebouwen

  • Tot slot dragen ze bij aan de leefomgeving en het welzijn van de bevolking. Zo wekken ze enthousiasme op en kunnen ze op een collectieve en gemeenschapsbevorderende manier worden beheerd (occasionele snoeibeurten), waardoor er sociale cohesie in de buurt wordt gecreëerd.

2. Hoe?

Voorafgaande aandachtspunten 

De installatie van klimplanten op de gevel heeft veel voordelen, zoals we hierboven schetsten. Het is echter noodzakelijk om enkele voorzorgsmaatregelen te nemen en vooral de planten goed te kiezen. 

De voornaamste aandachtspunten zijn:

  • vochtvoorziening (niet alle soorten zijn in dit opzicht gelijk) ;
  • schade aan gevelvoegen en muren in het algemeen: vermijd de aanplanting van soorten zoals klimop, die zichzelf hechten aan een gevel die niet goed gevoegd is. Er is echter geen probleem als de gevel in goede staat is ;
  • wortelontwikkeling: denk eraan dat sommige planten zoals blauwe regen zeer sterke wortels ontwikkelen en dat schade aan het trottoir of zelfs de rijweg mogelijk is ;
  • hoogte tot waar een plant waarschijnlijk zal groeien: kies planten op basis van uw vermogen om de groei in toom te houden (regelmatige snoei). Om te voorkomen dat sommige planten het dak bereiken, is het beter om een plant te kiezen die niet zo hoog groeit.

Gedetailleerde lijst van aanbevolen soorten klimplanten

De keuze van de installatietechniek en van de aangeplante soorten hangt met name af van de volgende parameters, die moeten worden geëvalueerd alvorens klimplanten aan te brengen:

  • lokalisatie binnen het ecologische netwerk (aanwezigheid van andere schakels in de buurt, aanwezigheid van soorten die door bepaalde planten kunnen worden begunstigd, ...) ;
  • zonneschijn en andere lokale ecologische omstandigheden ;
  • omvang van het begroeide oppervlak ; 
  • wortels en bescherming van de funderingen ;
  • hechtingssysteem voor de planten ; 
  • voorkomen van schade aan de gevel ;
  • gewicht van de voorziening en mechanische belasting op de steunpunten ;
  • toelaatbare hoogte en dikte voor de voorziening ;
  • ontwikkeling van de planten volgens de gekozen soort ;
  • soort gebladerte (bladverliezend of groenblijvend) ;
  • onderhoudsvereisten en bescherming van nabijgelegen structuren.

Typologie van de klimplanten 

We kunnen verschillende groepen klimplanten onderscheiden:

  • soorten met hechtwortels of zuignappen:  (klimop, klimhortensia, ...). Ze hebben ofwel zuignappen ofwel miniluchtwortels die langs de stengels verschijnen en zich aan de muur vasthechten. Ze worden afgeraden voor beschadigde of slecht gevoegde muren. Op een muur in goede staat vormen ze echter geen probleem. Het is ook mogelijk om ze te laten groeien op een steun die 10-15 cm van de muur af staat ;
  • slingersoorten: (blauwe regen, kamperfoelie, jasmijn, ...). De dunne twijgen wikkelen zich om een steunpunt (ze zoeken steun door spiralen te beschrijven). Ze hebben horizontale en/of verticale ondersteuning nodig ;
  • soorten met hechtranken: (clematis, passiflora). Hechtranken zijn draadachtige organen die zich aan een steun vasthechten en er zich in een spiraal omheen wikkelen. Ze hebben horizontale en/of verticale ondersteuning nodig ;
  • soorten die latwerk nodig hebben: (klimrozen, winterjasmijn). Deze planten bezitten geen specifieke middelen om zich vast te hechten. Om ze te laten klimmen, is het noodzakelijk om steunen te plaatsen en de twijgen regelmatig in de gewenste richting te leiden en vast te zetten. 

Onder de klimplanten hebben we in België 3 inheemse soorten slingerplanten (vaste klimplanten waarvan alle delen overblijvend zijn): klimop, bosrank en kamperfoelie. Andere klimplanten hebben de bijzonderheid dat ze overblijvend zijn, maar dat hun luchtorganen afsterven: hop of brionie (heggenrank) bijvoorbeeld.  

Natuurlijke steunen

Klimplanten koloniseren spontaan natuurlijke steunen (levende of dode bomen, hagen, houtstapels of steenhopen, stenen muren, enz.) of kunstmatige steunen (palen, hekken, enz.). In de natuur kan een klimopplant tientallen jaren lang kruipen tot hij een geschikte steun vindt om te klimmen.

In een groene ruimte kan men onder meer denken aan de volgende steunen:

  • bladverliezende bomen van aanzienlijke grootte die zonder hinder de kolonisatie door de klimplant kunnen verdragen. Een oude eik zal worden opgevrolijkt door een klimop die geleidelijk aan over zijn takken loopt, een bosrank zal gemakkelijk het takkengestel van een grote esdoornboom veroveren, enz. Klimrozen, klimhortensia's of clematissen kunnen gemakkelijk bloeien in de bomen van meer tuinbouwachtige parken. Deze installaties moeten op tijd en stond worden gecontroleerd (periodieke snoei van de klimplant) om te voorkomen dat een te groot deel van de boom wordt gekoloniseerd ;
  • heggen, die kunnen worden verdicht en gediversifieerd met klimplanten zoals kamperfoelie, bosrank, heggenrank of hop ;
  • kleinere structuren (houtstapels, alleenstaande struiken, gevlochten houten hekwerk, enz.) kunnen gekoloniseerd worden door klimplanten die minder hoog groeien, zoals bitterzoete nachtschade, heggenrank, pronkerwten en wikke of zelfs braamstruik.

Kunstmatige verticale oppervlakken 

Tal van verticale oppervlakken kunnen begroeid worden : 

  • een gevel met weinig architectonisch, erfgoedkundig of historisch belang. Het is essentieel een hervoeging te overwegen alvorens de gevel te vergroenen, maar niet te schilderen omdat het onderhoud moeilijk en gedeeltelijk overbodig zou zijn. We kunnen denken aan verschillende soorten voor voor- en achtergevels, afhankelijk van onder meer de blootstelling (een klimroos in de volle zon en haagkamperfoelie in een meer schaduwrijke omgeving bijvoorbeeld). Diverse soorten klimplanten door elkaar kunnen ook heel goed werken ;
  • speciale structuren zoals bogen en pergola's, waar klimplanten een zeer aantrekkelijke sfeer kunnen creëren in een groene ruimte ;
  • lelijke elementen die aanwezig zijn in de groene ruimte en gecamoufleerd kunnen worden: steunmuur, vervallen schuilhokje, watertank of ander infrastructuurelement ;
  • stadsmeubilair, dat kan worden aangekleed voor een betere integratie in de omgeving: educatieve borden bijvoorbeeld (opgelet echter voor de zichtbaarheid/leesbaarheid en de stabiliteit), afsluitingen, speelstructuren (aandacht voor de toxiciteit, stabiliteit en duurzaamheid van de voorzieningen in dit geval), enz. 
     

Aandachtspunt: zorg ervoor dat ruimten voor nestbouw niet worden belemmerd en dat er geen vegetatie wordt geleid naar locaties van soorten die hier niet van houden (met name huiszwaluwen en gierzwaluwen geven de voorkeur aan open plaatsen). 

Te installeren steunvoorzieningen 

Groenmuren die geen contact hebben met de grond en geïrrigeerd worden door een pomp die de plant ook van voedingsstoffen voorziet, komen hier niet aan bod vanwege de tamelijk negatieve gevolgen voor het milieu (energie, watervoorziening) van de tot nu toe voorgestelde systemen, en de ontbrekende, zeer geringe of zelfs negatieve impact voor de biodiversiteit. Zulke muren kunnen immers vooral voordelig zijn op het vlak van sfeer, welzijn, buffering van luchtvervuiling, warmteregeling en regenwaterfiltratie. Het referentiekader beveelt deze systemen dus niet aan en verkiest het planten van klimplanten in volle grond die geen kunstmatige watervoorziening vereisen (behalve, indien nodig, op het moment van de aanplanting om te garanderen dat ze goed aanslaan), aangepast zijn aan de omstandigheden ("de juiste plant op de juiste plaats") en robuuster zijn. 

Als aanplantingen in bakken noodzakelijk zijn (gebrek aan beschikbare grond of onmogelijkheid om te graven in de bodem), moet de bak groot genoeg zijn om plaats te bieden voor het wortelvolume van de vegetatie die op het verticale element zal groeien, in het bijzonder om in de zomer voldoende waterautonomie mogelijk te maken. De bak moet een minimumvolume van 30 liter hebben (voor een plant van enkele meters hoog) en voldoende diep zijn (idealiter 80 cm). Afhankelijk van de behoeften van de plant en het al dan niet opvangen van regenwater in de bak, moet er extra water en meststof* worden toegevoegd. 

*Aandachtspunt: chemische meststoffen (minerale meststoffen, ook wel NPK’s genoemd voor stikstof-fosfor-kalium) moeten worden uitgesloten. Sommige chemische meststoffen bevatten zware metalen, zoals lood, kwik of cadmium. Bij overdracht naar planten kunnen ze leiden tot besmetting van de hele voedselketen en zelfs infiltreren in het grondwater. Absoluut te mijden. Voed de grond in plaats daarvan met zelfgemaakte compost (hergebruik van groenafval), organische meststoffen, of door een jaarlijkse oppervlaktebewerking wanneer de groei weer begint (verwijdering van de oppervlaktelaag en vervanging door verse teelaarde). Sommige snelgroeiende planten verbeteren de bodemkwaliteit en -vruchtbaarheid. Klaver, erwten, mosterd, phacelia of wikke zijn daarom uitstekende groenbemesters die in de buurt van de beplantingen kunnen worden geïnstalleerd, als de ruimte het toelaat.

Technische fiche 14 – Terugwinning en vermindering van bijproducten van het beheer

Het type en de hoogte van de steun zal variëren naargelang de behoeften van de gekozen soort (zie de soortenindeling hierboven): gespannen kabel, latwerk aan de voet, hechtpunten, houten steun, enz.

Afhankelijk van het gebouw en het specifieke project zijn er twee mogelijkheden om de klimplant te installeren: de klimplant direct over de gevel laten lopen of een steun installeren parallel aan de gevel. De gids Duurzame Gebouwen die vermeld wordt aan het einde van de technische fiche, beschrijft deze twee opties in detail. 

 Gids Duurzame Gebouwen 

Différentes hauteurs de développement pour les plantes grimpantes (source : Guide du bâtiment durable)

Verschillende ontwikkelingshoogtes voor klimplanten (bron: Gids Duurzame Gebouwen)

Enkele realisaties/observaties

1.	Grillage sommaire utilisé par un chèvrefeuille en pleine ville.

1.    Een eenvoudig traliewerk gebruikt door een kamperfoelie in het midden van de stad.

2.	Tamier commun grimpant sur un chêne.

2.    Spekwortel die op een eik klimt.

3.	Clématite des haies ayant colonisé spontanément une barrière.

3.    Bosrank die spontaan een hek heeft gekoloniseerd.

4.	Morelle douce-amère émergeant d’une haie taillée.

4.    Bitterzoete nachtschade die uit een gesnoeide heg komt.

1.	Hortensia grimpant grimpant en buisson dense collé contre une façade.

1.    Hortensia die als een dichte struik opklimt tegen een gevel.

2.	Production surprenante de kiwi en façade.

2.    Verrassende productie van kiwi's op een gevel.

3.	Cachet apporté par une glycine à une façade (vigilance par rapport au trottoir qui peut être abîmé par le réseau racinaire).

3.    Sierlijke blauwe regen op een gevel (opletten voor het trottoir dat door het wortelstelsel kan worden beschadigd).

4.	Toute plante grimpante doit être gérée pour s’intégrer au bâti.

4.    Alle klimplanten moeten worden beheerd om zich te integreren in het gebouw.

5.	Au sol, une plantation en pleine terre est protégée sommairement.

5.    Op de bodem wordt een beplanting in volle grond oppervlakkig beschermd.

6.	Colonisation naturelle d’un monument par du lierre et de la clématite des haies.

6.    Natuurlijke kolonisatie van een monument door klimop en bosrank.

Foto’s: © Michel Fautsch

De soorten

Bij het kiezen van de soorten moet rekening worden gehouden met de volgende criteria: 

  • Bezonning ;
  • vermogen om zelfstandig te klimmen of nood aan ondersteuning ;
  • groeihoogte ;
  • beschikbare ruimte in met name de eerste paar meter ;
  • belang voor de biodiversiteit ;
  • esthetische keuze ;
  • geureigenschappen ;
  • ecologische kenmerken (type groei in de lucht: overblijvend of afstervend, enz.) ;
  • waterbehoefte, bodemtype en pH van de bodem.

De keuze is strategisch om een ecologische meerwaarde te garanderen voor de aanplant van klimplanten. Om dit effect te maximaliseren, zal men eerst en vooral de kenmerken beoordelen van inheemse soorten, ook al is deze keuze beperkt: 

  • we kunnen direct denken aan de volgende soorten: boskamperfoelie (Lonicera periclymenum), bosrank (Clematis vitalba), klimop (Hedera helix), hop (Humulus lupulus) ;
  • bijkomende soorten, ondanks een geringe ontwikkeling: heggenrank (Bryonia dioica), bitterzoete nachtschade (Solanum dulcamara), spekwortel (Dioscorea communis), brede lathyrus (Lathyrus latifolius), andere pronkerwten, wikke ;
  • om een beetje meer keuze te geven tussen de inheemse soorten, kunnen we ook struiksoorten in aanmerking nemen die bereid zijn te "klimmen" als we ze wat ondersteuning geven: wilde rozen zoals hondsroos (Rosa canina), duinroos (Rosa spinosissima) of egelantier (Rosa rubiginosa), maar ook de gewone braam (Rubus fruticosus), zonder de framboos (Rubus idaeus) en andere fruitbramen te vergeten ;
  • we kunnen ook het gebruik overwegen van struiken die zich tegen een verticale wand kunnen ontwikkelen (een beetje zoals bij opgebonden fruitbomen): gele kornoelje (Cornus mas), wollige sneeuwbal (Viburnum lantana), haagbeuk (Carpinus betulus), beuk (Fagus sylvatica), hulst (Ilex aquifolium), veldesdoorn (Acer campestre), wilde liguster (ligustrum vulgare) en zelfs venijnboom (Taxus baccata) kunnen hiervoor dienen. Dit zijn geen klimplanten, maar deze struiken kunnen met een aangepaste grootte gelijkaardige ruimten innemen zonder dat ze ondersteuning nodig hebben. Bij dit type beplanting moet u de funderingen beschermen, die anders door wortelvorming beschadigd kunnen worden (plaatsen van een worteldoek met een stevig raster tegen de te beschermen ondergrondse muur). De hoogte en dikte van de gewenste groenbedekking kan door snoeien worden bepaald ;
  • aarzel niet om meerdere planten op dezelfde drager te laten klimmen, om de bloei, de esthetiek, enz. in de loop van het seizoen te variëren. 

Als inheemse soorten niet geschikt zijn voor het project, kan men gaan voor exotische of tuinbouwsoorten en -variëteiten die echter aan de volgende eisen moeten voldoen om een bevredigende ecologische functie te kunnen vervullen : 

  • niet erkend zijn als een invasieve uitheemse soort. Er mag ook geen twijfel bestaan over het invasieve karakter in België of in de aangrenzende regio's. Voorbeelden van te vermijden soorten: Parthenocissus quinquefolia, Fallopia baldschuanica, Akebia quinata ...;
  • belang hebben voor de fauna: rijk aan nectar, fruitproductie of gaststructuur voor vogelnesten bijvoorbeeld, zoals de Amerikaanse trompetbloem (Campsis radicans) ;
  • een bijdrage leveren aan de voeding: men kan denken aan de vele soorten fruitbramen (waarvan sommige geen doornen hebben en veel vruchten produceren), kiwi en kiwibes (Actinidia deliciosa en Actinia arguta).

Lijst van aanbevolen klimplanten en van verboden planten (invasieve exotische planten)

Onderhoud

Klimplanten zijn soms zeer krachtig en moeten soms gesnoeid worden. Na verloop van tijd raken de stengels verstrikt, de nieuwe scheuten groeien buiten hun ruimte en bloeien minder. Snoeien kan de groeikracht van deze planten herstellen, idealiter tegen het einde van de winter. Voor de krachtigste soorten, zoals klimop, en alleen als de situatie het vereist (oude klimop is zeer interessant voor het milieu), kan men een terugsnoei uitvoeren tot een hoogte van 80 cm boven de grond. 

Voor minder robuuste planten snoeien we minder ingrijpend, soms gespreid over meerdere jaren. Dode zones worden verwijderd en de hoofdstengels worden met een derde per keer ingekort. Tijdens deze snoeiperiode zorgt men dat er voldoende water en voedingsstoffen beschikbaar zijn voor de planten, die hun groei moeten herstellen. Voor soorten die bloeien op hout van het voorgaande jaar, moet men wachten op deze bloei alvorens te snoeien.

Het onderhoud van zones waar klimplanten groeien is belangrijk en mag niet worden verwaarloosd, met name wat de gevels betreft: 

  • let vanaf het begin op de hoogte van de ondersteuning en de verwachte ontwikkeling van de klimplant. Zorg indien nodig voor een hechtingssysteem aan de gevel om hoger te gaan dan een ladder en/of besluit de plant te beperken tot een hoogte waarop snoei nog mogelijk is ;
  • bescherm de dakgoten om afzettingen en verstoppingen door takken en dorre bladeren te voorkomen. Let ook op andere gevoelige elementen zoals ventilatieopeningen, verlichtingstoestellen, ingangen van vogelnesten, enz. ;
  • besteed aandacht aan een goede ventilatie van het gebouw, vooral tijdens het groeiseizoen van de plant ;
  • controleer of de plant zich niet ontwikkelt op ongewenste delen (vooral bij de buren of op kozijnen/ramen) ;
  • controleer de integriteit van eventuele steunen, bakken en bevestigingen alsook de toestand van de muur als de plant er direct tegenaan groeit. Klimop heeft een muur in goede staat nodig, zo niet is er een risico op schade.

Regelgeving 

Bij de installatie van planten op straatgevels is het wenselijk om eerst inlichtingen in te winnen bij het gemeentebestuur alvorens een groengevel te realiseren. U moet in het bijzonder letten op de volgende punten:

  • U moet toestemming van de gemeente krijgen voor het verwijderen van een stoeptegel en het planten van een klimplant tegen een straatgevel op basis van een tekening van de geplande inrichting, vergezeld van een lijst van soorten en het aantal voorziene planten ;
  • de eigenaar moet instaan voor het onderhoud. De beplantingen moeten zo worden onderhouden dat er nooit gevaar bestaat voor voorbijgangers of het verkeer ;
  • zorg dat er een voldoende brede doorgang voor voetgangers behouden blijft (over het algemeen 1,5 m) ;
  • snoei de planten om de gemeenschappelijke grens met de buren te respecteren.

Als overheid is het interessant om de samenhang van de afzonderlijke projecten te waarborgen door aanbevolen soorten voor te stellen en de bewoners van dezelfde buurt aan te moedigen om aanvullende vergroening te realiseren. 

Gids voor tuinieren op straat (.PDF)

3. Meer weten